Disciplines

Op deze pagina vindt u informatie over de stand van zaken in het onderzoek in de disciplines Arabisch, Archeologie, Oudgermanistiek, Kunstgeschiedenis en Oudromanistiek.
 

De Arabische cultuur in de Nederlandse Mediëvistiek

Welke kant moet het de komende jaren op met het onderzoek van de middeleeuws Arabische cultuur?  Even ter toelichting: de middeleeuwen nemen we hier ruim, namelijk als de tijd van de voormoderne, traditionele cultuur. Ruwweg de periode van de zevende eeuw tot 1800. Daar is van alles op af te dingen, maar dat voert hier te ver.
 
Het vakgebied is complex, want natuurlijk valt ook de studie van de islam als godsdienst eronder. Die is ruim in de aandacht, en niemand kan het ontgaan dat de mensen elkaar in verband daarmee voortdurend met middeleeuwse teksten om de oren slaan. Internet en andere media lopen ervan over, en de islamitische boekwinkels (ook die in Nederland: breng maar eens een bezoek aan de markt in Beverwijk) puilen uit van de herdrukken en vertalingen van oude islamitische teksten en van boekjes waarin die teksten worden geëxcerpeerd en gerecycled.
 
Dat heeft allemaal natuurlijk ook de aandacht van onderzoekers uit allerlei disciplines, en met de  islamstudie gaat het uitstekend aan de Nederlandse universiteiten. De leerstoelen op dat gebied zijn de laatste jaren als paddenstoelen uit de grond geschoten. De sociaal-wetenschappelijke invalshoek is daarbij natuurlijk belangrijk, maar er wordt ook onderzoek gedaan dat in een medievistisch kader te plaatsen valt. Middeleeuwse theologie, filosofie, rechtswetenschap, geschiedenis ook, het valt allemaal onder de islamstudie, en wat dat betreft ziet de toekomst er rooskleurig uit, tenminste zolang er voldoende besef (ook bij bestuurders en geldgevers) blijft dat een grondige bestudering van de klassieke islam relevant is, ook voor goed begrip van de islam van vandaag.
 
Het is belangrijk dat dat gebeurt, en vooral dat het gebeurt op een manier waarbij een wetenschappelijk kritische benadering, en niet de normatieve islam uitgangspunt is. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar dat is het niet. Veel van de jonge onderzoekers op dit terrein zijn afkomstig uit islamitische landen, zijn vaak ook opgeleid aan godsdienstige instellingen in die landen, en maken dan pas hier kennis met – bijvoor-
beeld  –  de historisch-kritische benadering. Dat vraagt extra aandacht bij de begeleiding. In MA-studies zoals de MA Islamologie in Leiden, waar veel van dit soort studenten voor inschrijven, moet hiervoor dan ook veel tijd worden ingeruimd. Belangrijk is het wel: onafhankelijk, historisch-kritisch onderzoek van en rondom teksten (want om teksten gaat het grotendeels toch, als we het over oudere cultuurperioden hebben) die met de godsdienst te maken hebben kan eigenlijk alleen uitgevoerd worden in landen waar de politieke invloed van godsdienstige groeperingen dat niet verhindert, en in Nederland is dat gelukkig zo, al is ook daar het gevaar niet denkbeeldig dat men uit verkeerd begrepen égards ten opzichte van moslims de normatieve islam een zwaarwegende rol geeft in onderwijs en  onderzoek (dit speelt soms in discussies rond de opleiding Islamitische Theologie, de “imam-opleiding”).
 
Dat wat de mediëvistische kant van de islamstudie betreft. Maar er is natuurlijk veel meer. Als we het over de middeleeuws islamitische cultuur hebben gaat het natuurlijk niet alleen om godsdienstgerelateerde onderwerpen. Om nu maar even bij het Arabisch te blijven: ik illustreer dat altijd graag door mensen te wijzen op de twaalf dikke rode delen van de GAS, Geschichte des arabischen Schrifttums. Een groot bibliografisch werk dat de eerste vier eeuwen van de islamitische cultuur, dus vanaf het begin tot aan het midden van de 11e eeuw bestrijkt. Hoeveel van die delen gaan er specifiek over godsdienstige literatuur, zoals de verschillende Koranwetenschappen, de heilige overlevering, het islamitisch recht en de theologie? Alleen het eerste deel. Er is een deel over de poëzie, er zijn  twee delen over taal-wetenschappen, namelijk lexicografie en grammatica,  en de rest gaat over allerlei takken van wetenschap, zoals geneeskunde, veeartsenij, farmacologie, plantkunde, zoölogie, wiskunde, sterrenkunde en geografie. Dat heeft ongetwijfeld ten dele te maken met de belangstelling van Fuat Sezgin, de samensteller, maar het zegt ook veel over de aard van het (nog bekende en bewaarde) intellectuele erfgoed van de islamitische cultuur, en het is goed om aan de hand hiervan nog eens te benadrukken hoeveel van dat erfgoed nauwelijks iets met godsdienst te maken heeft. Arabisch schrijvende niet-moslims, zoals joden en christenen, hadden er trouwens vaak een belangrijk aandeel in.
 
Fuat Sezgin’s GAS  beslaat de eerste vier eeuwen van de islam, en in de eeuwen daarna verandert er natuurlijk wel wat: sommige genres ontwikkelen zich sterk, andere minder. De  commentaarliteratuur breidt, zoals te verwachten is, erg uit. Het encyclopedische genre neemt een hoge vlucht, en op literair gebied zien we ook nieuwe ontwikkelingen, zoals het ontstaan van grote volksepen. Beide genres verdienen de aandacht van mediëvisten, ook omdat ze prachtig onder te brengen zijn in bredere mediëvistische onderzoeksverbanden, zoals dat vroeger al eens gebeurd is met de Alexanderroman. Dat heeft ook een grote meerwaarde, omdat daardoor vergelijkend onderzoek van overeenkomstige genres en verschijnselen veel gemakkelijker tot stand komt, en dat levert allerlei verrassende nieuwe inzichten op. De overeenkomsten tussen de middeleeuws islamitische en Europese culturen zijn vaak verrassend groot, ook zonder dat er sprake is van directe beïnvloeding.
 
Een enorm bestand aan schriftelijke cultuuruitingen dus, dat in het kader van de mediëvistiek voor allerlei disciplines van belang is. Geschiedenis bijvoorbeeld; de tijd dat men daar strikt eurocentrisch te werk kon gaan is natuurlijk allang voorbij. Dat kan niet meer, zeker niet gezien de toenemende stroom van studenten en promovendi met niet-Europese wortels aan de Nederlandse universiteiten.  Het is dan ook mooi om te zien dat Arabistisch onderzoek al gewoon is ingebed in afdelingen geschiedenis, zoals aan de UvA (dr. Maaike van Berkel). Dan is er de wetenschapsgeschiedenis. Wetenschapshistorici van allerlei richtingen (wiskunde, astronomie, geografie bijvoorbeeld) kunnen niet om de Arabische traditie heen. De teksten die ze nodig hebben zijn meestal  niet in een Europese taal vertaald, en veel ervan is zelfs nog niet eens in druk beschikbaar. Teksten uitgeven! We kunnen er niet omheen als we echt verder willen komen. Het gebeurt gelukkig ook; de recente promotie van de Iraniër Mohammed Bagheri, die een grote middeleeuwse wiskundige tekst uitgaf, is een voorbeeld. Denk daarbij ook aan de unieke collecties die Nederland bezit: alleen in de Leidse collecties van oosterse handschriften ligt al zoveel dat nog lang niet voldoende bestudeerd is.
 
Mooi onderzoeksterrein allemaal, waarvoor natuurlijk wel voldoende kennis van het Arabisch (of Perzisch, of soms ook Osmaans Turks) nodig is. Dat betekent dat er in de MA-fase, of daarna, nog flink wat extra taalkennis verworven moet worden. MA-studies die geheel of ten dele aan academische instellingen in de Arabische wereld (of, als het om Perzisch gaat, in Iran) worden gevolgd zouden daarbij nuttig kunnen zijn, en het verdient aanbeveling die te ontwikkelen. Nederlandse instituten in het buitenland, al of niet in samenwerking met instellingen ter plaatse, zouden daar een uitstekende rol in kunnen vervullen, en op die manier kan ook goed geworven worden onder studenten en potentiële promovendi ter plaatse, in Cairo bijvoorbeeld.
 
In zijn algemeenheid zullen mensen uit de Arabische (etc.) wereld aangemoedigd moeten worden om aan Nederlandse universiteiten onderwerpen uit hun eigen culturele erfgoed te komen bestuderen. Niet uitsluitend binnen conglomeraten van Midden-Oostenstudies, maar ook juist  in bredere onderzoekskaders, zoals literatuurwetenschap, middel-eeuwse geschiedenis, filosofie, medische geschiedenis, geschiedenis van de wis- en sterrenkunde. De kaders daarvoor liggen er al gedeeltelijk. Ik noemde al de afdeling Geschiedenis aan de UvA, en, wat de wetenschapsgeschiedenis betreft: in Utrecht en Leiden is prof. Jan Hogendijk, Geschiedenis van de wiskunde, heel actief in het opzetten van samenwerkingsverbanden met Midden-Oosterse universiteiten, en dat levert regelmatig MA-studenten en promovendi uit die regio op. Dat zijn bij uitstek richtingen om verder in te investeren.
 
Ook het onderzoek van Arabische papyri, en in samenhang daarmee van andere papyri, zoals dat geëntameerd wordt door de nieuwe hoogleraar Arabisch te Leiden (prof. Petra Sijpesteijn), zit op deze lijn. En er is de islamitische kunst en materiële cultuur: dat die, zoals in Leiden, een geïntegreerde plaats heeft gekregen binnen de afdeling kunst-geschiedenis is een prima ontwikkeling.
 
Het integreren van onderzoek naar de Arabische cultuur uit het verleden in brede academische kaders is niet alleen om wetenschappelijke, maar ook om andere redenen van belang, juist in Nederland.  In toenemende mate bestaat namelijk de indruk (ook bij mensen met een Arabische  achtergrond) dat Arabische cultuur gelijk staat aan islam. Kennis van het rijke culturele verleden van de Arabische wereld heeft men niet of nauwelijks, en besef dat de godsdienst helemaal geen dominante factor was in de ontwikkeling van allerlei takken van wetenschap en cultuur is er al helemaal niet.  Daar moeten de universiteiten iets aan doen, in onderwijs maar vooral ook in onderzoek. Ik herhaal nog maar even een passage uit mijn afscheidscollege van 16 november j.l.:  als de universiteiten (en van de hen financierende overheid) geen moeite meer doen om Nederlanders, en speciaal Nederlandse jongeren van Arabische afkomst, te laten zien dat de Arabische cultuur meer omvat dan islam, wie dan nog wel? Thuis horen ze dat heus niet. Toen ik na afloop van een cursus Inleiding in de Arabische literatuur de studenten eens vroeg welke verrassingen de cursus hen had opgeleverd, antwoordde een student van Marokkaanse afkomst: “Ik had nooit gedacht dat er in het Arabisch liefdespoëzie kon bestaan.” En een ander schreef: “Ik had altijd gedacht dat de klassieke Arabische literatuur alleen uit saaie dikke boeken over de godsdienst bestond.”
 
Het is van groot belang dat al die (vaak jonge) Nederlanders met een Midden-Oosterse of Noord-Afrikaanse achtergrond zien dat hun culturele identiteitsgevoel niet uitsluitend aan de islam als godsdienst hoeft te worden ontleend, maar dat er veel meer is: een indrukwekkend intellectueel en artistiek erfgoed, dat binnen de daarvoor relevante wetenschapgebieden serieus wordt genomen en zichtbaar is in onderwijs en onderzoek. Dat is een zaak die op de lange termijn belangrijk is en waarin geïnvesteerd moet worden. Ter wille van de wetenschap, maar ook uit respect voor de culturele wortels van een groot aantal Nederlanders.
 
Remke Kruk
(mei 2008)
 

De beoefening van de archeologie van de Middeleeuwen in Nederland

In 1990 verscheen bij gelegenheid van het afscheid van de eerste hoogleraar archeologie van de Middeleeuwen H.H. ‘Carlos’ van Regteren Altena, een aan hem opgedragen bundel met de titel Medieval Archaeology in the Netherlands. Het was een fraai overzicht van de stand van zaken op het gebied van de archeologie van de Middeleeuwen zoals die in Nederland werd beoefend. De emeritus zelf schreef de inleiding: On the growth of young medieval archaeology: a recollection. In 1990 was de beoefening van de archeologie van de Middeleeuwen in Nederland inderdaad een ontluikend vak, bijvoorbeeld gemeten aan het bescheiden aantal dissertaties met een middeleeuws archeologisch onderwerp tot op dat moment geschreven.
Bij die vaststelling moeten drie kanttekeningen worden gemaakt. De eerste is dat de archeologie van de Middeleeuwen als jongste loot aan de archeologische boom als eerste buiten academische contexten werd beoefend door een snel groeiende groep stadsarcheologen, die allen wetenschappelijke ambities hadden, maar niet altijd over de mogelijkheden beschikten die ten volle te ontplooien. Een situatie waar nu alle archeologieën die op Nederlands grondgebied actief zijn mee te maken hebben na de invoering van de gewijzigde monumentenwet.
De tweede kanttekening is dat ondanks de bescheiden omvang van de groep ‘middeleeuwse archeologen’ het Nederlandse onderzoek op dat moment internationaal zeer gewaardeerd werd. Dat betrof dan vooral het nederzettingsonderzoek uitgevoerd in het kader van regionale onderzoeksprogramma’s. Getuige daarvan is bijvoorbeeld de ruime aandacht die dat onderzoek krijgt in het handboek Early Medieval Settlements. The archaeology of Rural Communities in North-West Europe 400-900 van Helena Hamerow. Andere toppers daarin zijn het Deense en Noord-Duitse onderzoek.
De derde kanttekening is dat onderzoek wel internationaal bekend was, maar dat het Nederlandse onderzoek zelf weinig internationaal georiënteerd was. In de bovengenoemde bundel Medieval Archaeology
in the Netherlands staat vrijwel niets omtrent onderzoek buiten de landsgrenzen. In die zin was het vakgebied ‘Middeleeuwse archeologie’ vooral een archeologie van Nederland in de Middeleeuwen.
Mijn perceptie is dat de beoefening van de ‘Middeleeuwse archeologie’ in Nederland er sindsdien niet echt op vooruit is gegaan en dat er iets moet gebeuren om Nederland weer een internationaal gewaardeerde positie te verschaffen.
Ons handelsmerk bij uitstek, ‘nederzettingsonderzoek in een regionale context’, is internationaal verbleekt. Daar zijn verschillende redenen voor. Ik denk dat de twee belangrijkste de volgende zijn: internationaal is wat betreft het opgraven van nederzettingen Nederland niet meer zo uniek. In landen als Frankrijk, België en Italië heeft een enorme inhaalslag plaatsgevonden waardoor hoogwaardig nederzettings-onderzoek nu vrijwel overal in Europa plaatsvindt. Het is niet meer nodig naar Nederland te kijken. Dat is vervelend omdat we onze internationale status nu juist ontleenden aan wat men bij ons kwam bekijken. Een tweede belangrijke oorzaak voor internationaal statusverlies is de zeer lage publicitaire output voor een internationaal academisch publiek. Ook daar zijn weer verschillende oorzaken voor. Niet-universitaire archeologen publiceren vaak voor een ander publiek zoals opdrachtgevers, de bewoners van een stad of regio, etc. Terecht. Een ander punt is het verdwijnen van goede publicatiemogelijkheden, waar nog te publiceren? Nog een ander punt zijn de relatief hoge kosten van internationaal publiceren (vertaal- of correctiekosten, veel illustraties, etc). Het is zoals ik historici wel eens heb horen beweren: archeologen bouwen wel nesten (vinden van alles), maar leggen geen eieren.
Om dat laatste probleem (publiceren) aan te pakken is het initiatief genomen te komen tot een nieuw internationaal tijdschrift MEDIEVAL AND MODERN MATTERS. Archaeology and Material Culture in the Low Countries, uit te geven door Brepols Academic Publishers. Het is een begin.

Om de Nederlandse Middeleeuwse archeologie weer een gerespecteerde plaats te geven in de internationale arena is echter meer nodig dan het creëren van publicatiemogelijkheden. Het moet niet alleen substantie, maar ook inhoud en kwaliteit hebben. Archeologen, aangesteld aan universiteiten zullen het voorbeeld moeten geven. Dat betekent dat zij zich terdege zullen moeten bezinnen op hun rol in de archeologische omgeving waarin zij opereren. Dat is tot op heden vooral de archeologie beoefening ÍN Nederland VÁN Nederland geweest. Zowel de IN als de VAN moeten heroverwogen worden.

De beoefening van de Middeleeuwse archeologie IN Nederland wordt nu vooral gekenmerkt door de omstandigheden die zijn ontstaan als gevolg van de invoering van de gewijzigde monumentenwet, die het Nederlandse archeologische bestel grondig heeft veranderd. Ik wil hier niet op details ingaan, maar enkele in mijn ogen algemene gevolgen noemen. De eerste zijn positief: een enorme toename van het aantal opgravingen, de zee van gegevens wordt alsmaar groter, en de toename van het aantal professionele archeologen. Aangezien de Middeleeuwen (en Moderne tijd), in archeologische termen de bovenste laag in het landschap vormen (veel gebouwen staan zelfs nog overeind) en in principe het minst verstoord is, vormt die een relatief omvangrijk deel van de toegenomen archeologische opgravingactiviteit. Duidelijk is evenwel dat deze toename vooralsnog vooral kwantitatief van aard is en niet kwalitatief.
Belangrijker, op langere termijn zijn mijns inziens gevolgen voor de inhoudelijke beoefening van het vak. De commercialisering van de opgravingen en het aanbestedingencircuit daaromheen heeft in feite een einde gemaakt aan de bestaande regionale projecten waarmee we internationaal scoorden. Het is nu niet zeker of je een vervolgopgraving op hetzelfde terrein of in dezelfde gemeente ook krijgt. Deze versnippering lijkt voor de inhoudelijke ontwikkeling van het vak niet goed, er zullen wegen gezocht moeten worden om de sterke kanten van het regionale onderzoek weer terug te brengen in de nieuwe praktijk. Een van de grand old men van de Nederlandse archeologie van de Middeleeuwen, W.A. van Es, formuleerde het treffend in zijn opening van de Reuvensdagen, het nationale archeologiecongres, in 2007 in Deventer: wat de archeologie in Nederland gaat opbreken is het in toenemende mate ontbreken van continuïteit in onderzoek.
Een ander gevolg van de nieuwe situatie is een toenemende parochialisering in het denken en doen. Veel archeologen opereren nu binnen de kaders die een Nederlandse wet stelt, in Nederland. Wat er in de nieuwe opgraafarcheologie gevraagd wordt, gaat dat Nederlandse kader niet of nauwelijks meer te boven. Kijken naar wat er over de grens gebeurd lijkt in toenemende mate overbodig.
Andere interessante gevolgen zijn intellectueel van aard. De nieuwe archeologische situatie vloeit voor uit een gewijzigde monumentenwet. Behoud in situ (ter plaatse) is het beleidsdoel, opgraven, hoewel dat in de praktijk vrijwel altijd gebeurd en waaraan de meeste jonge archeologen hun inkomen danken, is in de nieuwe archeologische voorstellingswereld aan de negatieve zijde van een waarderingsschaal terecht gekomen. Het idee is dat je dat pas doet als het niet meer anders kan. Dat is een afglijden vanuit een situatie waarin alleen het opgraven van ónbedreigde vindplaatsen als ongewenst werd gezien. Het opgraven zelf was positief. Een merkwaardige intern-archeologische ontwikkeling want opgraven is binnen de archeologie als wetenschap een centrale methode van onderzoek, zonder opgraven (bijna) geen archeologie. Bovendien heeft het publiek vooral een beeld van archeologen als opgravers. In deze nieuwe voorstellingswereld is de suggestie dat je een onbedreigde vindplaats wilt opgraven ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek min of meer vloeken in de kerk. In het buitenland behoren deze opgravingen tot het normale totaalpakket van de ‘archeologie’, een teken van beschaving denk ik.
In samenhang met die sterk gegroeide dominantie van het denken in termen van monumenten vloeit ook een bijna monocultuurlijk intellectuele aandacht voor ‘landschap’ in het onderzoek voort, ook aan universiteiten. Luister naar een gemiddelde Nederlandse archeoloog en binnen enkele zinnen noteer je verschillende malen het woord ‘landschap’. Alsof er niets anders meer te onderzoeken is. Dat is met name voor de archeologie van de Middeleeuwen IN Nederland en haar internationale ambities nogal hinderlijk. Ik kom daar op terug.
Eerder gaf ik aan dat als de Middeleeuwse archeologie IN Nederland weer internationaal mee wil tellen universitaire archeologen het voorbeeld moeten geven en het voortouw zullen moeten nemen. De archeologiebeoefening IN Nederland noopt archeologen aan univer-siteiten evenwel tot een grondige heroverweging van hun positie. Dat is al eens eerder gezegd, maar heeft nog niet tot veel zichtbare resultaten geleid. Moeten we ons niet ontworstelen aan die specifiek Nederlandse context, om onszelf  de kans te geven internationaal weer mee te tellen? Moeten we meedraaien in een opgravingspraktijk die wellicht toch onvoldoende de mogelijkheden verschaft die we nodig achten hoewel er gunstige uitzonderingen te noemen zijn? Of moeten we dat achter ons laten om tijd vrij te maken voor twee andere belangrijke activiteiten nodig voor een verdere internationalisering: syntheses maken en participeren in internationale projecten? De praktijk leert dat beide, met de beperkte middelen waarover de academische archeologie in Nederland beschikt (de beschaving) moeilijk te combineren zijn. Persoonlijk denk ik dat we die keuze zouden moeten maken: alleen nog maar opgraven voor zover onderwijs dat noodzakelijk maakt en wellicht valt dit zelfs te regelen met goed opgravende partners buiten de academische wereld. Of in termen van sommige historici: minder nesten bouwen en meer eieren leggen.
Indien universitaire middeleeuwse archeologen ‘schone handen archeologen’ worden zullen zij in hun synthetiserende werk de archeologie IN Nederland ook in intellectuele zin enigszins achter zich moeten laten. Het zijn met name de archeologen van de Middeleeuwen die tegenover die monocultuurlijke aandacht voor het landschap andere themata kunnen plaatsen. Ik vermoed dat de middeleeuwse archeologie IN Nederland internationaal weer mee gaat tellen als zij zich richt op de studie van wezenlijke cultuurprocessen zoals de Christianisering, de ontwikkeling van culturele groepen en groepsculturen, de ontwikkeling van uitwisselingssystemen en economische transformaties en stadontwikkeling. Landschap zal echter altijd een interessant onderwerp blijven, evenwel binnen het kader van bovengenoemde thema’s. Het is overbodig nogmaals te melden dat de publicitaire activiteiten geïntensiveerd moeten worden en met name die voor een internationaal academisch publiek.

Behalve overwegingen ten aanzien van de middeleeuwse archeologie IN Nederland zijn er ook die ten aanzien van de middeleeuwse archeologie VAN Nederland. Tot op heden bestond er een grote overlap tussen beide, de middeleeuwse archeologie IN Nederland was vooral die VAN Nederland. Wil de archeologiebeoefening van de Middeleeuwen IN Nederland weer internationaal meetellen zal zij haar blik en werkveld internationaal moeten verbreden. Het is tekenend dat de formele leeropdracht van de enige hoogleraar archeologie van de Middeleeuwen (en moderne tijd) luidt: historische archeologie van Europa benoorden de Alpen. Ik houd dat meestal geheim omdat het lachwekkend is in een internationale setting. Middeleeuws Europa bestaat bij de gratie van de verbindingen tussen het noorden en het mediterrane gebied en het zijn deze relaties die al sinds Henri Pirenne en Alfons Dopsch in het centrum van de belangstelling staan. Deze relaties zullen ook in de middeleeuwse archeologiebeoefening  in Nederland een belangrijke rol moeten gaan spelen. Het is van het grootste belang dat Nederlandse middeleeuwse archeologen participeren in internationale programma’s waarin dit soort zichtlijnen van belang zijn. Eerste verkenningen worden daartoe uitgevoerd, zowel in zuidelijke als noordelijke richting. We zijn meer welkom dan we verwachtten, een gunstig voorteken.

Er valt zeker meer te zeggen over de toekomst van de middeleeuwse archeologiebeoefening in en van Nederland. Onbesproken is de samenwerking met andere mediëvisten, historici, architectuurhistorici, kunsthistorici, waar onze natuurlijke habitat ligt. Het is niet zozeer onbesproken omdat die samenwerking niet belangrijk is, eerder omdat die vanzelfsprekend was en is.

Frans Theuws
(augustus 2008)
 

De toekomst van de Oudgermanistiek in Nederland

Nb. Dit stuk is op te vatten als een prepublicatie van een uitvoeriger artikel dat ik volgend jaar hoop te publiceren. Daarom zie ik hier af van voetnoten en literatuurverwijzingen.

Op 25 april van dit jaar nam Tette Hofstra afscheid als bijzonder hoogleraar Oudgermanistiek aan de Rijksuniversiteit Groningen. Daarmee was eindelijk het laatste Nederlandse bastion van het vak gevallen: aan geen enkele universiteit kan men het nu nog studeren. Natuurlijk is dit enigszins gechargeerd. Ten eerste behoudt Alasdair MacDonald, hoogleraar Historische taal- en letterkunde van het Engels, op papier de structurele leeropdracht Oudgermaans. Deze werd in 1985 bij het emeritaat van de laatste ‘echte’ hoogleraar Oudgermanistiek, Andries Kylstra, aan de zijne toegevoegd. Ten tweede hield eerder dit jaar, op 19 februari, Arend Quak zijn oratie als nieuwe bijzonder hoogleraar Oudgermaanse Filologie aan de Universiteit Leiden. Hij is verbonden aan de vakgroep Vergelijkende Indo-Europese Taalkunde aldaar.
We zijn kortom één bijzondere leerstoel Oudgermanistiek kwijtgeraakt, terwijl er anderzijds door Leidse inspanningen net een nieuwe gecreëerd is. De situatie blijft echter treurig: op basis van de leeropdracht van MacDonald wordt in Groningen weliswaar nog een minor Oudgermanistiek aangeboden, maar dat is het dan ook. En dat terwijl Groningen, na verschillende bezuinigingen en centralisaties die sinds de jaren ’80 hadden plaatsgevonden, tot enkele jaren geleden de laatste universiteit was waar men nog Oudgermanistiek kon studeren.
 
Oudgermanistiek in Nederland
Het vak Oudgermanistiek bestaat dus niet langer als volwaardige studierichting. Dat er desondanks aan enkele universiteiten te hooi en te gras het een en ander wordt aangeboden is mooi, maar het zijn de ruïnes van wat eens een bescheiden maar volwaardige studierichting was. Deze bestond naast historische taalkunde van de diverse Germaanse talen uit een letter- en cultuurkunde van het Germaans en ‘de Germanen’. En dat laatste is wat er weggevallen is in het geweld van voortdurende bezuinigingen. Daarop kom ik zodadelijk terug. In deze paragraaf wil ik echter kort schetsen wat de Oudgermanistiek in Nederland nog wel voorstelt.
Daarom eerst aandacht voor de bloeiende tak van de Oudgermanistiek: de historische taalkunde. Deze floreert en is goed ingebed in een internationale context. Voorbeelden van hoe goed we het in Nederland op dit gebied doen zijn niet moeilijk te vinden. Ik noem de diverse dissertaties en publicaties uit de school van de Leidse Indo-europeanisten Alexander Lubotsky en zijn voorganger Robert Beekes en de hier eveneens gestarte Leiden Indo-european Etymological Dictionary Series, die in 2005 het spits afbeet met de Old Frisian Etymological Dictionary van Dirk Boutkan en Sjoerd Siebinga, een samenwerking met de Fryske Akademy. Verder wordt  aan het eveneens Leidse Instituut voor Nederlandse Lexicologie (INL) niet alleen het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (in samenwerking met de UvA), maar ook het Oudnederlands Woordenboek gemaakt.
Arend Quak, op dit moment dus de enige hoogleraar Oudgermanistiek in Nederland, is lid van de redacties van beide woordenboeken, maar geeft eveneens al jaren het internationaal goed bekende tijdschrift Amsterdamer Beiträge zur älteren Germanistik uit. Hoewel Amsterdamer Beiträge een overblijfsel is van een fleuriger verleden, namelijk toen aan de UvA nog een studie Oudgermaans bestond, is het toch een internationaal podium voor publicaties op het gebied van de Oudgermanistiek in zijn brede vorm. Niet alleen historische taalkunde, maar ook bijvoorbeeld runeninscripties en Oudijslandse sagas worden er in behandeld.
Veel onderzoekers die zich Oudgermanist noemen of toegeven dat wat ze doen vroeger tot de Oudgermanistiek werd gerekend zijn lid van de Vereniging van Oudgermanisten (VOG). Deze werd in 1987 opgericht toen de vernietigende uitwerking van de eerste bezuinigings-golven voelbaar begon te worden. Een van de hoofddoelen was de onderlinge contacten tussen Oudgermanisten in Nederland en Vlaanderen veilig te stellen en te bevorderen. In het eerste decennium van haar bestaan groeide de vereniging tot ca. 120 leden. En op dat aantal is het de afgelopen 10 jaar blijven steken: een teken dat er een verzadigingspunt is bereikt. De VOG organiseert jaarlijks een Oudgermanistendag in het voorjaar en een themadag in het najaar. In het Mededelingenblad van de Vereniging van Oudgermanisten (dat het zelfde sobere uiterlijk heeft als deze nieuwsbrief) worden de (talrijke!) publicaties van leden, interessante nieuwe publicaties in het vakgebied en colleges in de diverse Oudgermaanse talen bijgehouden.
 
De Oudgermanistiek is dood
Als we het bovenstaande in ogenschouw nemen zouden we kunnen menen dat het met de Oudgermanistiek toch nog niet zo slecht gaat. Toch wil ik de stelling verdedigen dat de Oudgermanistiek in Nederland dood is. Mijn argumenten zijn tweeërlei. Ten eerste is het eenvoudigweg zo dat Oudgermanistiek niet langer een aparte universitaire studie is aan een Nederlandse universiteit.
Hier dient zich de casus van de Keltologie aan als vergelijkings-materiaal. Altijd al een Nederlands unicum in het universitaire land-schap, gevestigd aan de Universiteit Utrecht, heeft dit vak op miraculeuze wijze stand kunnen houden. Het bestaat tegenwoordig uit een bescheiden vakgroep van een hoogleraar en twee docenten, die jaarlijks zo’n 20 à 25 studenten bedient. De Keltologie is in alle opzichten vergelijkbaar met de Oudgermanistiek. De een richt zich op de studie van de Keltische taalfamilie, de ander op die van de Germaanse. Wat de Vereniging van Oudgermanisten is voor de Oudgermanistiek, is de Stichting A.G. van Hamel voor Keltische Studies voor de Keltologie. Ooit was er overigens een tijd dat geleerden (vanuit een Indo-europees perspectief) beide disciplines beheersten: Van Hamel was zowel Oudgermanist als Keltoloog.
Mijn tweede argument is zwaarwegender, en hangt samen met het eerste. Omdat Oudgermanistiek geen zelfstandige discipline meer is, heeft het geen eigen paradigma. Voor het historisch-taalkundige aspect van het vak varen de beoefenaars mee met de internationale stroom. Zoals gezegd, hier valt niets op aan te merken en de Nederlandse bijdrage is van hoge kwaliteit. Maar voor de cultuurkundige kant van hun vak dobberen Oudgermanisten een beetje met Mediëvisten en ‘filologen’ mee. Zo is de Oudgermanistiek grotendeels verworden tot een vak waarin men middeleeuwse tekstgenres in de volkstalen bestudeert.
Een deel van het probleem dat zich hier voordoet is het besmet zijn van de term ‘Germanen’ na de Tweede Wereldoorlog. Opnieuw kan de Keltologie als spiegel dienen. Het mededelingenblad van de Van Hamelstichting heet kortweg Kelten. Het zou nooit in de hoofden van de Oudgermanisten opkomen om hun mededelingenblad Germanen te noemen. Toen enkele jaren geleden een nieuw trendy tijdschrift ter promotie van de noordelijke provincies gelanceerd werd, met de titel Noorderland, wees mijn collega aan de Fryske Akademy Johan Frieswijk er fijntjes op dat deze titel in de periode  ’40-’45 ook gebruikt was voor het blad van de Nederlandse afdeling van de SS. Hier was de associatie echter in vergetelheid geraakt en werd niet zwaarwegend genoeg geacht. Het nieuwe Noorderland bestaat nog steeds. De ‘Germanen’ zijn echter halve paria’s geworden: onaanraakbaren waar je maar beter met een grote boog omheen kunt lopen, of ontkennen dat ze ooit hebben bestaan. Je kunt er maar beter Geromaniseerden van maken, of Christenen. Ik chargeer natuurlijk opnieuw, maar probeer in korte halen de problematiek rond de beladenheid van het vak te schetsen.
Dat moet kort, want de instructie die ik bij het schrijven van dit stuk meekreeg was dat ik me niet te veel aan sombermansen mocht overgeven, maar moest laten zien welke mogelijkheden er liggen voor onderzoek. Daarom gaan we snel door naar de volgende paragraaf.
 
Leve de Vergelijkende taal- en cultuurgeschiedenis van Noordwest-Europa
Er zijn namelijk veel studies verricht in de afgelopen decennia die het mogelijk maken het vak Oudgermanistiek in Nederland te laten herrijzen uit zijn as. We hoeven de inzichten uit verschillende hoeken alleen maar te oogsten en samen te brengen.
Ten eerste moet de Oudgermanistiek alsnog de zelfreflectie en zelfreiniging betrachten die het vak na de Tweede Wereldoorlog achterwege heeft gelaten. Hiervoor zijn de afgelopen jaren prachtige voorzetten gedaan: Barbara Henkes met Uit liefde voor het volk (2005) voor de volkskunde en Martijn Eickhoff met De oorsprong van het ‘eigene’ (2003) voor de archeologie. Volkskunde en archeologie zijn beide vanouds belendende vakgebieden. Henkes besteedt in haar studie bovendien veel aandacht aan Jan de Vries, die naast Oudgermanist ook volkskundige was. Dat werk is dus al gedaan.
Ten tweede is er veel onderzoek gedaan naar etniciteit en de vorming van de vroegmiddeleeuwse Germaanse gentes vanuit de Weense school van Walter Pohl. Hiervan kan veel geleerd worden. Het moet één van de fundamenten zijn waarop een nieuw paradigma gebouwd wordt. In dit verband moet overigens ook de congresreeks Germania Latina genoemd worden, die sinds de jaren ’90 door Tette Hofstra en Groninger collega’s georganiseerd wordt, en die zich concentreert op de ontmoeting tussen Germaanse en Christelijk-Latijnse cultuur in de vroege middeleeuwen.
Welke ingrediënten zijn er nog meer nodig voor het vak waar ik over droom, Vergelijkende taal- en cultuurgeschiedenis van Noordwest-Europa? Ik stel me voor dat het een interdisciplinair vak is: het profiteert van de interdisciplinariteit die veel Mediëvisten reeds aan de dag leggen, en koppelt dat aan een kennis van historische taalkunde en het vermogen de uitkomsten van archeologisch onderzoek op waarde te schatten. Archeologen hebben heel veel onderzoek gedaan naar prehistorisch, Romeins en vroegmiddeleeuws Nederland, maar Oudgermanisten en Mediëvisten weten dit in Nederlandse context nauwelijk te vinden en te gebruiken. Ik ken er nauwelijks voorbeelden van. Wat dat betreft kan ik het niet eens zijn met Frans Theuws’ opmerking in het vorige nummer van deze nieuwsbrief, dat de samenwerking tussen archeologen en mediëvisten natuurlijk en vanzelfsprekend verloopt. Daar moet echt nog wel inspanning verricht worden.
Omdat mijn gedroomde vak in eerste instantie geografisch gedefinieerd is, raken we los van problematisch etnische labels. De Germaanse en Keltische taalfamilies (de termen zijn taalkundig: Germanen en Kelten hebben zichzelf nooit als zodanig bestempeld) kunnen onderzocht worden, evenals de cultuur die in deze gebieden en in deze teksttradities gecreëerd is, echter zonder het ene – de taal – absoluut dwingend met het andere – de cultuur – te verbinden. En er kan getracht worden tot een reconstructie te komen van de betreffende culturen in de prehistorische fasen, waarvoor we geen directe geschreven bronnen tot onze beschikking hebben (maar dus wel archeologische artefacten en informatie over de staat van het landschap). Daarbij zal het lonen inzichten uit Oudgermanistiek en Keltologie met elkaar te verbinden (Sinds Van Hamel en zijn generatie zijn Keltologen geen Oudgermanisten meer, noch vice versa). Bovendien zal blijken dat verschillende culturele overeenkomsten verklaard kunnen worden door menselijke universalia, zoals ik in mijn boek over de eercultuur in middeleeuws Friesland heb laten zien, dat gebaseerd was op een onderzoek naar de Oudfriese boeteregisters.
Wat verder schreeuwt om onderzocht te worden is in hoeverre men in de verschillende historische perioden in Nederland ‘iets’ heeft gehad met het Germaanse verleden. Auke van der Woud heeft hierover met betrekking tot de achttiende en negentiende eeuw het prachtige werk De Bataafse Hut geschreven. Vertrekkend vanuit dit ijkpunt kan het beeld van het Germaanse verleden van Nederland geschetst worden. Daarbij moet dit spoor tot in onze tijd vervolgd worden. Nog steeds zijn er mensen die de bron van hun spiritualiteit zoeken in een gedroomd Germaans verleden. Hierover is in Nederland nog niet of nauwelijks gepubliceerd. In Duitsland loopt men hier op ons voor dankzij de studies van onder andere Klaus von See en Stefanie von Schnurbein.
En daarmee besluit ik mijn pleidooi. Het is mijn overtuiging dat zolang de ‘Germaanse’ wortels van Nederland een blinde vlek in ons collectief bewustzijn blijven, die geest op de meest ongewenste momenten wakker kan worden. Dat zal waarschijnlijk niet tot een Fortuyniaanse  revolutie leiden, maar het is niet verstandig die gok te wagen. Laten we het vak Oudgermanistiek op een moderne, 21e-eeuwse wijze een nieuwe invulling geven: Vergelijkende taal- en cultuur-geschiedenis van Noordwest-Europa. En mag er dan alsjeblieft één opleiding komen? Hij hoeft niet veel groter te zijn dan Keltologie in Utrecht: een hoogleraar en een tweetal docenten. Met al het onderzoek dat door over de Nederlandse universiteiten verspreide academici gedaan wordt, en dat potentieel nog aan kwaliteit wint met een studierichting als ankerpunt, is dit genoeg om de geest niet te laten materialiseren en om prachtig nieuw, grensverleggend en interdiscplinair onderzoek te doen.
 
Han Nijdam
(november 2008)
 

De perspectieven van de  kunst- en architectuurgeschiedenis van de Middeleeuwen

Wie de geleidelijke terugloop van overheidsgeld naar het hoger onderwijs gedurende de afgelopen ca. dertig jaar bekijkt kan erg somber en bezorgd worden, en met alle reden. Als je daarna bekijkt wat wetenschappers in de geesteswetenschappen desondanks verrichten aan onderzoek, hoeveel ze gezamenlijk publiceren en welke interessante congressen en symposia e.d. worden georganiseerd, krijgt dan weer een gevoel van voldoening de overhand, omdat dit toch allemaal maar gebeurt. Deze twee zaken in combinatie wijzen in elk geval op een enorme werklust en een prijzenswaardige behoefte om te laten zien welke wetenschappelijke gebieden in Nederland voorhanden zijn. Wat betreft het brede terrein van de middeleeuwen is dat niet anders, ook al liggen er veel bedreigingen op de loer. Verschillende maatregelen, die deels toevallig en lokaal zijn, en deels voortkomen uit een zekere mate van sturing van de overheid en de verschillende universiteiten, vormen daarbij gezamenlijk een moeilijk te attaqueren front. Het merkwaardige en positieve is echter wel dat samen met de somberheid waaraan de mediëvist licht ten prooi zou kunnen vallen, toch ook de mogelijkheden en productie belangwekkend en hoopvol zijn.
Aan verschillende universiteiten zijn binnen de kunstgeschiedenis de bakens enigszins verzet waar het gaat om de samenstelling van de wetenschappelijke staf en de invulling van de deelgebieden waarop de stafleden werkzaam zijn. Een werkelijke uitweg uit het vreemde dilemma waarin universiteiten zijn beland is nog niet voorhanden. Aan de ene kant groeit de behoefte van de universiteiten om zich te onderscheiden van andere, concurrerende instellingen, maar anderzijds vallen er ook zoveel gaten dat de noodzaak om samen te werken met opleidingen van andere instellingen groter wordt. Daarbij gaan soms ‘natuurlijk verloop’ en planmatige aanpak samen. Het gevolg daarvan is dat op sommige universiteiten de kunstgeschiedenis van de middel-eeuwen een minder prominente plaats heeft gekregen dan voorheen wel het geval is geweest. Het blijkt steeds moeilijker te worden om een breed georiënteerde  wetenschappelijke  staf te  handhaven  waarmee  het  hele gebied van de kunstgeschiedenis op de verschillende niveaus van bachelor, master en promotie-begeleiding kan worden bediend.
Daarin schuilt zeker een gevaar waarmee in de komende jaren serieus rekening moet worden gehouden. Want de mogelijkheden voor studenten om binnen het vakgebied van de kunstgeschiedenis kennis te maken met de middeleeuwen zijn geleidelijk beperkter geworden, waardoor een kettingreactie kan ontstaan, die overigens ook op allerlei andere gebieden dreigt. Doorstroming van studenten naar promotie-plaatsen wordt daarmee bijvoorbeeld moeilijker, waarna vervolgens ook het afnemende aantal wetenschappelijke functies aan universiteiten de mogelijkheden voor jonge wetenschappers aanzienlijk beperkt. Waar het perspectief op toekomstig werk verschraalt, is het ook lastiger om studenten te werven.
Binnen de architectuurgeschiedenis als geheel is er een praktijk ontstaan waarin er sinds jaar en dag uitstekend functionerende bureaus en kleine bedrijven bestaan, die architectuurhistorisch onderzoek verrichten ten behoeve van verschillende overheden en andere opdrachtgevers. Daarin kan ook middeleeuws materiaal natuurlijk een rol spelen, maar de vraag naar dergelijk onderzoek wordt niet gestuurd vanuit een weten-schappelijke vraagstelling, maar vanuit een meer of minder specifiek belang van de betreffende instantie of opdrachtgever. Een erg positief effect van deze tendens is dat er onderzoek wordt verricht naar objecten die anders mogelijk aan de aandacht zouden ontsnappen. Ook de gehanteerde vraagstellingen kunnen prikkelend en inspirerend zijn voor een bredere groep van vakgenoten. Tegelijkertijd is duidelijk dat dergelijk onderzoek zich richt op Nederlands materiaal, of in elk geval materiaal dat in eerste instantie een belang en betekenis heeft in Nederland. En daarin schuilt een gevaar, want het internationale perspectief wordt daarbij vaak wel erg afhankelijk van de onderzoeker, en de mate waarin die dat een plaats weet te geven in dergelijk onderzoek. Kostenoverwegingen van de kant van de opdrachtgever kunnen dan al gauw de uitbouw van onderzoeksresultaten naar een ander niveau in de weg staan.
Ook een ander punt wordt daarmee aangeroerd. Onderzoek naar Nederlandse objecten en gebouwen is belangrijk, maar de internationale context is daarbij zeker voor mediëvistisch onderzoek natuurlijk onontbeerlijk. Maar daarnaast is het voor het niveau van het onderzoek als geheel wezenlijk dat niet alleen kennis van de internationale context kan worden opgedaan, maar dat die internationale context zelf ook onderwerp van onderzoek en studie kan vormen. Met andere woorden: onderzoek doen in het buitenland naar objecten die daar aanwezig zijn. De mogelijkheden daartoe zijn er wel, maar het lijkt met de dag moeilijker te worden ze te benutten. Een eerste mogelijkheid kan een intensievere samenwerking met de Nederlandse wetenschappelijke instituten in het buitenland zijn, zoals die in Istanbul, Athene, Rome, Florence en elders. Onderzoekers kunnen van deze instellingen gebruik maken om hun onderzoek vanuit een zekere basis te verrichten (scheelt geweldig veel tijd om niet zelf instanties e.d. te hoeven vinden), en bovendien zouden die instituten wellicht nog meer dan nu het geval is de onderzoekers kunnen inzetten voor specifiek onderwijs aan studenten en promovendi. Uit ervaring weet ik hoe enthousiasmerend zoiets kan werken, omdat studenten en promovendi een kijkje in de keuken van een onderzoeker krijgen, en natuurlijk door verblijf in het buitenland al gauw contacten opdoen met andere buitenlanders. Haast tegen de tijdgeest van bezuinigingen in is het Europäisches Romanik Zentrum opgericht met een zetel in Merseburg, en verbonden met de universiteit van Halle. Bij uitstek internationale ambities kenmerken de opzet van deze instelling, die het internationale onderzoekers ook mogelijk maakt ter plaatse aan onderzoek te werken.
Onderzoek wordt steeds meer in de vorm van een programma met meer onderzoekers uitgevoerd, waardoor weliswaar grotere projecten mogelijk worden, maar anderzijds individuele ambities in de kiem gesmoord kunnen worden. Onderzoek in de geesteswetenschappen – en dat geldt ook voor de kunstgeschiedenis van de middeleeuwen – kan veelal ook heel goed door een individu worden uitgevoerd, dat niet binnen een veel groter project functioneert. Allerlei uiteenlopende kunsthistorische promoties (voltooide en bijna voltooide) laten dat zien. Binnen en buiten universiteiten wordt zulk individueel onderzoek ten onrechte echter steeds meer met argwaan bekeken en ook door regels waarmee onderzoek gestuurd wordt,  nogal lastig gemaakt. Voor onderzoekers die (vooralsnog) buiten een universiteit werkzaam (moeten) zijn –  maar ook voor collega’s aan universiteiten – is het vaak ook erg lastig om met enige regelmaat buitenlandse congressen te bezoeken, omdat het werk zoiets moeilijk maakt of omdat de werkgever daarbij geen direct belang heeft. Daardoor kan deze groep geleidelijk steeds verder op afstand komen te staan van de onderzoekspraktijk en de uitdaging om daarin met interessante vraagstellingen te werken. Het bezoeken van congressen in het buitenland, al dan niet gecombineerd met het geven van een lezing, geeft impulsen op allerlei vlakken, want daardoor wordt het mogelijk jezelf als onderzoeker te meten met collega’s van elders.
Internationalisering heeft al veel vaker op de agenda gestaan, maar lijkt me nu meer nodig dan ooit. Buitenlandse excursies zijn bij opleidingen kunstgeschiedenis noodzakelijk, omdat objecten in een andere oorspronkelijke context gezien moeten worden dan de Nederlandse, maar ook omdat ander materiaal gezien moet kunnen worden. Om die internationalisering ook in het onderwijs in de praktijk te brengen ga ik samen met een collega een experiment doen door een korte excursie te combineren met congresbezoek in het buitenland. Gebouwen en objecten bestuderen in de context waarin ze in de middeleeuwen hebben gefunctioneerd is daarbij één doelstelling, en ervaren wat internationale onderzoekers hebben onderzocht en wat die belangwekkend vinden aan die gebouwen en samenhangen is het andere doel. Het tonen van perspectief op het gebied van het onderzoek lijkt me een cruciaal element om ervoor te zorgen dat er over jaren ook op niveau onderzoek gedaan blijft worden naar de kunst- en architectuurgeschiedenis van de middeleeuwen.
Een laatste punt dat in elk geval genoemd moet worden is de interdisciplinaire samenwerking, die niet altijd geheel vanzelfsprekend is. Krachtige disciplines zoals de kunstgeschiedenis hoeven niet te vrezen onzichtbaar te worden in interdisciplinaire verbanden, want daarin dienen juist duidelijk herkenbare vakgebieden bij elkaar te rade te gaan. In de Nederlandse kunst- en architectuurgeschiedenis van de middeleeuwen is overigens al lang geleden de noodzaak voor discipline-overschrijdende samenwerking ingezien en veelal realiteit geworden door onderzoeksvragen voor een deel te concentreren op de context waarin opdrachten werden verleend en gebouwen en objecten moesten kunnen functioneren. Het oefenen in de formulering van zulke onderzoeksvragen in een onderzoeksomgeving, maar evengoed binnen het onderwijs, kan in combinatie voor zowel studenten als onderzoekers inspirerend zijn.

Lex Bosman
(mei 2009)
 

Oud-Romanistiek in Nederland

De oud-romanistiek in Nederland: een wetenschappelijke traditie van formaat.
De Rijksuniversiteit Groningen bood in 1876 als eerste Nederlandse universiteit academisch onderwijs in de moderne talen aan. De eerste Groningse hoogleraar Franse taal- en letterkunde en Romaanse filologie (1884, Van Hamel), was dan ook tevens de eerste hoogleraar op dit gebied in Nederland. Op die manier had Nederland vanaf het begin internationaal een grote uitstraling binnen de romanistiek. In het begin van de twintigste eeuw had Groningen wederom een primeur door de aanstelling van de eerste vrouwelijke lector in Nederland (1907), Marie Elise Loke. Ook zij was romaniste van huis uit. De reputatie van de Groningse romanistiek werd in deze tijd bovendien nog eens extra onderstreept met de benoeming tot hoogleraar van J.J. Salverda de Grave. Deze kreeg als eerste een expliciete leeropdracht voor het Italiaans. De leerstoel Italiaans in Groningen is hiermee de oudste Nederlandse leerstoel op dit gebied. Het was dan ook Salverda de Grave die onder meer de eerste geschiedenis van de Italiaanse Letterkunde in het Nederlands schreef (1920). Als romanist en filoloog beperkte hij zich echter niet tot het Italiaans, maar publiceerde hij eveneens op het gebied van het Frans, Spaans en Occitaans. In het eerste kwart van de 20e eeuw bevorderde bovendien Fonger de Haan de studie van het Spaans en Portugees zonder aan de Faculteit verbonden te zijn. Met de benoeming van de romanist K. Sneyder de Vogel tot hoogleraar Frans komt de studie van de Romaanse Talen in een stroomversnelling. De oudste leerstoel, die gericht bleef op de Romaanse filologie, trok internationaal zeer gerenommeerde geleerden aan als Paul Zumthor en Pierre Guiraud. In 1953 wordt de eminente geleerde Peternolli, die van origine jurist was, eerst lector, en later hoogleraar. Ondanks de herstructureringen bleef het vakgebied van de romanistiek behouden met de benoeming tot hoogleraar van prominente romanisten als Willem Noomen en Martin Gosman.  Noomens ‘NRCF’, oftewel   Nouveau  recueil  complet  des  fabliaux in tien volumes (1983-1998) is nog altijd dé standaardreferentie bij uitstek van dit middeleeuwse genre, ook in Parijs! Met de benoeming in 2004 van Philiep Bossier op de leerstoel Oud-Romaans in Groningen kreeg deze voor het eerste sinds enige tijd weer een Italiaanse inkleuring. Veelzeggend is dat Zumthor al vrij snel na Groningen in Amsterdam werd benoemd en onder meer meehielp aan de internationale uitstraling van jonge Nederlandse romanisten, zoals de vroeg gestorven Nico van den Boogaard (UvA).

Het Franse gebied: rencontres
Rencontres, Ontmoetingen: dat was het thema van de eerste Landelijke Studiedag voor onderzoekers op het gebied van de Franse literatuur en cultuur van middeleeuwen en vroegmoderne tijd die vorig jaar gehouden werd te Groningen (25 april 2008). Een tweede bijeenkomst heeft intussen plaatsgevonden in Utrecht (3 april 2009). Ter gelegenheid van de eerste ontmoetingsdag van dit nieuw ontstane samenwerkings-verband, dat voortbouwde op een eerder bestaande traditie van dergelijke studiedagen voor Franse mediëvisten, werd aan René Stuip (UU) en Paul Smith (UL) gevraagd om het bestaande onderzoek op het gebied van Franse middeleeuwen en vroegmoderne tijd te plaatsen in de rijke traditie die in Nederland op ons vakgebied bestaat. De Nederlandse traditie op het overkoepelende gebied van de Occitanistiek werd die dag uiteengezet door promovendus Hedzer Uulders (RUG, nu Padova).
In deze lezingen kwam heel duidelijk tot uiting welk een vooraanstaande plaats het Nederlandse onderzoek op de genoemde vakgebieden heeft bekleed en welke grote specialisten in de voorgaande eeuw aan diverse universiteiten in Nederland werkzaam zijn geweest, voor kortere of langere tijd. Tegelijkertijd bleek uit de inventaris van het lopende onderzoek dat ons vakgebied op dit moment meer dan ooit ‘springlevend’ is, en een duidelijke uitstraling geniet in binnen– en buitenland. Ten slotte werd door Alicia Montoya (RUG), één van de organisatoren, benadrukt dat er voor de oudere periode in Nederland vaak uniek tekstmateriaal ligt, zowel in bibliotheken als in archieven.
Het hierna volgende overzicht is een poging om de grote tendensen te schetsen van het lopende onderzoek aan de universiteiten  in Nederland op het gebied van de Franse middeleeuwen en de vroege renaissance.
Het oergebied van de Occitanistiek wordt intussen weer beoe-fend, en dit onder meer dankzij H. Uulders (promovendus Università degli studi di Padova) die, onder begeleiding van F. Brugnoli, de laatste hand legt aan een definitieve en kritische corpusafbakening van het XIIIe–eeuwse subgenre van de Occitaanse (en Catalaanse) salut.
Wat het onderzoek op het gebied van de oudere Franse cultuur- en letterkunde kenmerkt, is dat in vele onderzoeksprojecten inderdaad de latere middeleeuwen, en daarbij ook de periode van overgang naar de renaissance, centraal staan. Dat kan ons niet verwonderen als we bedenken dat bij voorbeeld het Franse theater van de mystères, farces, sotties, sermons joyeux en dergelijke een bloeiend leven kent tot medio zestiende eeuw. Oudere Franse theatergenres zijn dan ook de centrale focus in het NWO-project  ‘Recht en toneel’ (13e-16e eeuw) dat, onder leiding van Jelle Koopmans, een aantal onderzoekers bundelt aan de UvA en de UU. Hierbij wordt onderzocht hoe regelgeving en juridische praktijk bepalend geweest zijn voor toneeltradities en, in bredere zin, de voorstellingspraktijk in de publieke ruimte en in de privé-sfeer. Wat dit project vooral interessant maakt, is dat tot op heden nooit eerder gebruikte bronnen een stem krijgen, en dat toneel in eerste instantie beschouwd wordt als een aspect van het gebruik van de publieke ruimte. Individuele projecten behelzen de verhouding tussen Kerkelijke regelgeving en de praktijk van de Kerkelijke rechtspraak (S. Gabay, UvA); de problematiek van regulering en verbod in de Franstalige Nederlanden in verband met de Reformatie (K. Lavéant, UU), en tot slot de specifieke situatie in Parijs met een duidelijk accent op vroege acteurscontracten en de juridische status van het gesproken woord (M. Bouhaïk-Gironès, UvA). Een synthetische studie zal worden verzorgd door J. Koopmans (lid KNAW), van wiens hand ook een geschiedenis van het genre ‘farce’ zal verschijnen. Het laatmiddeleeuwse theater, met name de studie van het taalgebruik in mysteriespelen en in de cris (de ‘reclameteksten’ van de middeleeuwen), neemt ook een belangrijke plaats in binnen het onderzoek van Martijn Rus (tot voor kort werkzaam aan de UU). Door hem wordt ook het tweede deel van een tweeluik over ‘onzin-poezie’ (fatrasies, resveries) voorbereid.
Een ander gebied waarnaar op verschillende plaatsen onderzoek wordt gedaan, is de studie van oud- en middelfranse Bijbelteksten. In Leiden gaat het vooral om tekstuitgaven van Bijbel- en aanverwante teksten (Julia Szirmai). Op dit moment is een editie in voorbereiding van de XIVe eeuwse Anglo-Norman Bible stories en ook van de Bible des sept estaz du monde van Geufroi de Paris (XIIIe eeuw). In Groningen houdt een van de deelprojecten van het ERC-project "Holy Writ and Lay Readers" zich bezig met de sociale geschiedenis van Franse Bijbelvertalingen (Margriet Hoogvliet). In Frankrijk zijn er relatief veel volkstalige Bijbels geproduceerd die een rol speelden in de vorstelijke "representatio". Bronnenonderzoek laat zien dat deze Bijbels daadwerkelijk werden gelezen en ook gebruikt voor de liturgie. Over het lezen van Franstalige Bijbels in de stedelijke context is nu nog maar heel weinig bekend en daar zal het onderzoek zich de komende jaren voornamelijk op richten.
Symboliek en emblematiek spelen een belangrijke rol in het onderzoek naar tekstuele en visuele representaties van de vijf zintuigen in late middeleeuwen en (vroege) renaissance, dat plaats vindt aan de RUG (A. De Gendt).
De productie en receptie van Oud-Franse en Middelnederlandse letterkunde binnen de cultuurhistorische context van Lage Landen en Reichsromania is een thema dat aandacht krijgt aan de VU (J. van der Meulen). Het sluit nauw aan bij een eerder opgestart onderzoek naar de literaire cultuur aan het Hollands-Henegouwse hof. In het verlengde van de reeds vermelde rijke Nederlandse filologische traditie, nemen tekstedities ook nog steeds een belangrijke plaats in. Het gaat hierbij om werken van veel bestudeerde auteurs als Christine de Pizan (R. Stuip); tevens onderzoek naar aspecten van de vervaardiging van handschriften, maar ook om teksten van minder bekende auteurs. Te denken valt aan Jean Thenaud—Franciscaan in dienst van koning François Ier—wiens Triomphe des Vertus in meerdere delen recentelijk is verschenen, dan wel ter perse is (R. Stuip en T.J. Schuurs-Janssen). Naast de reeds genoemde Bijbeledities, wordt ook een uitgave van vierenvijftig Franse farces voorbereid (J. Koopmans); tegelijkertijd wordt aan de UvA gewerkt aan een driedelige heruitgave van alle Franse 'sotties'.
In hun lezingen benadrukten zowel Stuip als Smith het maatschappelijk belang van vertalingen van Franse teksten naar het Nederlands. Dit is immers een beproefde manier om ons vakgebied toegankelijk te maken voor een groter publiek. In de serie Memorandum (Stuip en Szirmai) verschenen een zevental becommentarieerde vertalingen van bekende en minder bekende Oud-Franse teksten. Ook de prachtige lais van Marie de France zijn nu in het Nederlands beschikbaar, oorspronkelijk in versvorm en nu in proza (beide: P. Verhuyck en C. Kisling). Eén van Christine de Pizan’s hoofdwerken, Le Chemin de longue étude, kent inmiddels ook een Nederlandse versie (Stuip). Vertalingen naar het moderne Frans (en het Nederlands) hebben tevens een belangrijke functie gekregen in het onderwijs van de oudere literatuur, omdat het onderricht van het Oud-Frans vrijwel nergens meer structureel deel uitmaakt van het curriculum. Op zich een zorgelijke ontwikkeling… Wel ontstaat juist hierdoor ook een perspectief op het middelbaar onderwijs, waar de handige teksten uit deze reeks een uitstekende toegang bieden tot een gebied dat vroeger alleen voor specialisten openstond.
Ook hoopvol is dan weer de ontwikkeling van een relatief nieuw perspectief, nl.  de studie van de receptie van de middeleeuwen in de 18e en 19e eeuw, het zogeheten medievalism. In de Verenigde Staten heeft de populariteit van dit onderzoeksterrein geleid tot een hernieuwde belangstelling voor ons vakgebied. Toonaangevend voor de voortzetting van de gevestigde traditie van prestigieuze projecten met grote internationale weerklank is, net als een aantal eerder genoemde projecten, ook  het project waarin vroege vormen van medievalism centraal staan: ‘Modernité littéraire et antiquités gauloises. L’imaginaire médiéval dans la littérature française, 1685-1750’ (A. Montoya). Dat ook hier een nieuwe toon van gezonde ambitie doorklinkt, bewijst het aangekondigde grote congres hierover in juli 2010, RUG), met specialisten wereldwijd.
Bij de vergaderingen van het landelijke forum voor onder-zoekers op het gebied van de Franse middeleeuwen en vroegmoderne tijd zijn ook mogelijkheden onderzocht om de uitstraling van ons vakgebied te vergroten. Het bestaan van de Stichting van Romanisten aan de Nederlandse Universiteiten (SRNU, website www.romanisten.nl) kan hierbij een duidelijke rol spelen. Jaarlijks worden door de SNRU o.a. studiedagen georganiseerd voor docenten Middelbaar Onderwijs; het is de bedoeling dat hier regelmatig ook de Oudere Franse literatuur zal worden gedoceerd. Daar tref je immers diegenen die de belangstellenden van de toekomst in eerste instantie opleiden… Ook werd gesuggereerd om een landelijke studiedag te wijden aan de rol van vertalers en vertalingen, en het belang hiervan voor ons vakgebied. Ten slotte zou een samenwerkingsverband met de Vlaamse onderzoekers het forum en zijn uitstraling kunnen versterken.

Een vroeg afscheid van de middeleeuwen? : Italië
Sneller dan in andere culturen ontstaat in Italië de overgang van middeleeuwen naar vroeg-humanisme en uiteindelijk de volle Renaissance. Daarom zijn heel wat onderzoekers in dit uiteraard vrij grote studiegebied in feite zowel beoefenaar van middeleeuwse studies als renaissancist. Op grond van deze constatering beperken we het overzicht hier tot een aantal opvallende strekkingen binnen het lopende onderzoek. Ten eerste bestaat er een bijna vanzelfsprekende band tussen beoefenaars van cultuuronderzoek en kunsthistorici op dit gebied. Opvallend is ook de aansluiting vanuit de vroeg-Italianistiek bij de internationale boekgeschiedenis. Verder wordt de specifieke inbreng van het noordelijke humanisme een intussen internationaal erkend sub-domein dat in Nederland aan vele faculteiten wordt beoefend. Een duidelijk accent hierbij is de kritische studie van retoriek. Niet zelden bevinden specialisten ter zake zich op de grens van letterenstudies en filosofie. Een voorbeeld hiervan is het onderzoeksproject ‘Humanists as Philosophers’ van L. Nauta (RUG) dat in 2008 met een VICI-statuut werd bekroond en waarin zijn expertise rond Lorenzo Valla wordt gebruikt. Een constante in de vroege Italië-studies in Nederland is het accent op de 16de eeuw. Ook hier ontstaan internationale top-samenwerkingen, waarin Nederland de rol speelt van initiatiefnemer. Een voorbeeld hiervan is de structurele (en financiële) samenwerking van Utrecht (H. Hendrix) en Groningen (Ph. Bossier, H. van Veen) binnen het onderzoeksverband rond Cinquecento plurale.  Hierbij staat een systematische her-evaluatie centraal van de generatie ‘veelschrijvers’ na 1530 en hun rol bij de hertekening van het literaire landschap. Traditioneel bestaat er ook veel aandacht voor culturele stromingen en hun ‘afterlife’ in een breed-Europese context. Een voorbeeld hiervan is het onderzoek van R. de Rooy (UvA) rond Dante-vertalingen en dat van een van zijn recente promovendi L. Rietveld (UvA) over de geschiedenis van de Orpheus-mythe.

Ubi Sunt, of: waar zijn de hispanisten in de Medievistiek?
Wat is de plaats van de Nederlandse hispanistiek ten opzichte van de Nederlandse mediëvistiek en wat is haar plaats ten opzichte van de Spaanse mediëvistiek? In het volgende stuk zal beknopt worden gekeken naar de huidige situatie en de wijze waarop deze reflecteert op de mogelijkheden voor de toekomst voor een hispanistische mediëvistiek in de lage landen.
De op de middeleeuwen en de vroegmoderne gerichte Nederlandse hispanistiek bevindt zich veraf van oorspronkelijk bronmateriaal in Madrid en Barcelona, alwaar kritische edities worden samengesteld en uitgegeven, vaak als onderzoeksprojecten van promovendi. Filologisch onderzoek aan de hand van oorspronkelijk bronmateriaal hier ter lande ligt derhalve minder voor de hand. Databases als www.cervantesvirtual.com geven in zekere mate de mogelijkheid om met digitale versies van bronmateriaal te werken, maar ook deze middelen kennen hun beperkingen. In de Benelux heeft de Asociación de Hispanistas de Benelux zich het doel gesteld de hispanistiek in de Benelux een platform te bieden. De website van de AHBx (www.ahbx.eu.) toont echter geen specifieke onderverdeling in tijdvakken, die op een actieve consolidatie van op de middeleeuwen en de vroegmoderne georiënteerde hispanisten zou duiden. Sinds de vroege jaren negentig wordt met regelmaat vanuit Groningen het tijdschrift Foro Hispanico uitgegeven. Ook dit tijdschrift is gewijd aan de hispanistiek in haar geheel.
In Nederland is het vakgebied namelijk relatief klein. Zo is bijvoorbeeld enkel een beperkt deel van het curriculum van de studie Romaanse Talen en Culturen, hoofdvak Spaans, gewijd aan de Spaanse/Iberische middeleeuwen. Daarnaast zijn de studentenaantallen beperkt, waardoor onderzoekers tevens onderwijzers moeten kunnen zijn, waarbij het laatste een zekere breedte in de vorming vereist. Veelal ligt het onderzoekzwaartepunt bij degene die de Spaanse middeleeuwen en de vroegmoderne periode onderwijst dan ook op de Spaanse Gouden Eeuw.
Onderzoek wordt, gezien de structuren van de onderzoekscholen en de praktijk van de NWO-financiering, uitgevoerd in het kader van projecten en overkoepelende onderzoeksopdrachten. Het onderzoek is daardoor vaak thematisch van aard. Recente disciplineoverkoepelende benaderingen zijn: geheugen, geletterdheid, stedelijkheid. Als voorbeelden kunnen worden genoemd de projecten Urban literacy, Medieval Memoria van de Universiteit Utrecht alsmede de gebieden als Text and Context of thema’s als Poetics in Progress van de Rijksuniversiteit Groningen. In geen van de gevallen speelt een op de middeleeuwen gerichte hispanistiek een hoofdrol. Vanuit de Onderzoekschool Medievistiek – een nationaal orgaan - is er geen samenwerkingsverband met een Spaanse universiteit. De mediëvisten in Spanje (zie www.medievalistas.es) tonen over  het algemeen een meer filologische inslag en een nadruk op oorspronkelijke bronnen in plaats van de eerdergenoemde thematische inslag. Ook wordt het onderzoek meer om specifieke personen (bijvoorbeeld schrijvers of aristocraten) en plekken georganiseerd. Dit zorgt voor een cultuurverschil tussen de Iberische op de middeleeuwen gerichte hispanistiek en haar Nederlandse zustervakgroep.
De Nederlandse/Groningse hispanistiek zal zich dus vanuit pragmatisch oogpunt moeten ontplooien binnen geijkte thema’s, en zal aansluiting moeten zoeken aan overkoepelend onderzoek. Er zal echter, gezien het cultuurverschil in de onderzoekspraktijk tussen Spanje en Nederland, extra aandacht moeten worden besteed aan het dusdanig formuleren van onderzoeksvoorstellen dat ook de meer op concrete gevallen georiënteerde Spaanse mediëvistiek zich aangesproken en uitgedaagd voelt.
Vanuit het perspectief van de hispanistiek zelf zou kunnen worden gesteld dat de Spaanse Cultuur en Geschiedenis dikwijls wordt gemarginaliseerd zoals de Postmoderne hispanist Paul Julian Smith heeft betoogd in ‘Writing in the Margin’ (1988). Het lijkt, daarnaast, zo dat een in Nederland opererende hispanist eerder aansluiting zoekt bij andere disciplines dan andersom.  In het artikel ‘South of the Pyrenees: kings, magnates and political bargaining in twelfth-century Spain’ (2001) toont Esther Pasque niet alleen de uitzonderingsrol van Spanje in de ontwikkelingen van de Europese middeleeuwen aan maar wijst zij ook op de huidige blinde vlek in de Europese mediëvistiek betreffende ontwikkelingen in de Iberische wetenschappelijke activiteit. Er valt dus iets te halen bezuiden de Pyreneeën. Eveneens valt er iets te brengen; het is daarom belangrijk om, vanuit de hispanistiek geredeneerd, resultaten in een breder geografisch of thematisch kader te plaatsen. Oftewel: hoe verhoudt zich de analyse van een Spaanse tekst tot de andere gebieden? Aandachtspunt is daarbij communicatie naar buiten de hispanistiek, waarbij de toevoeging bestaat uit de specifiek Spaanse invalshoek of casuïstiek. Dit valt goed te combineren met de recente nadruk op interdisciplinariteit en internationalisering. Concrete sterkten van de Nederlandse context zijn de meertaligheid en meer internationaal gerichte onderzoekscultuur in de lage landen, en van de daar opgeleide  hispanisten. Het is met oog op een betere incorporatie van de Spaanse mediëvistiek in de praktijk van belang om een samenwerkingsverband met een of meerdere Spaanse universiteit(en) aan te gaan. Wellicht kan daarbij gebruik worden gemaakt van de reeds bestaande samenwerkingsverbanden bij de Educatieve Master.
Laten wij afronden met een laatste Ubi Sunt? Waar zijn lieden als Damaso Alonso en Menendez Pidal die de Europese implicaties van ontwikkelingen in de Iberische letteren blootlegden? Wie gaat er aan de Nederlandse universiteiten het vaandel overnemen?

N.B. Contactgegevens van de Spaanse vereniging voor mediëvisten:
www.medievalistas.es
info@medievalistas.es
Sociedad Española de Estudios Medievales
c/ Albasanz, 26-28
28037 • MADRID

Contactgegevens van de Asociación de Hispanistas de Benelux:
www.ahbx.eu
Dra. Diana Castilleja
Asociación de Hispanistas del Benelux (AHBx)
Facultés Universitaires Saint-Louis (FUSL)
Boulevard du Jardin Botanique 43
B-1000 Bruxelles
Conclusie: durf en ambitie als perspectief

Uit dit korte overzicht moge blijken dat een stevige discipline van formaat nog altijd prominent meetelt in de brede Nederlandse mediëvistiek. Sterker nog, er is sprake van een hernieuwde ambitie die intussen over de grenzen heen met enthousiasme wordt gevolgd. En dat kan tellen. Deze erkenning ligt ook aan het feit dat seniors en juniors uit het vakgebied de handen in elkaar slaan. Niet zelden komen de hoogst gekwalificeerde romanisten uit het buitenland zetelen in de leescommissies van jonge promovendi. Zo was J.-Cl. Schmidt (EHESS, Paris) heel nauw betrokken bij de cum laude promotie van B. Hellemans (UU, 2006, La forme et l’objet du livre. Une lecture dynamique des Bibles moralisées du XIIIe siècle). Een duidelijk signaal is ook de continuering van de leerstoel Oudere Romaanse Cultuur- en Letterkunde in Groningen, zoals gezegd de oudste in dit vakgebied van de hele Nederlanden. Bij dit alles komt dat het Romaanse perspectief in de meeste gevallen als één unitair specialisatiedomein wordt gezien en een transnationaal onderzoek als een natuurlijk gegeven. Immers, juist de middeleeuwen en de vroegmoderne periode tonen aan dominante culturele patronen over de grenzen heen werkzaam zijn. De cluster rond de Romaanse culturen heeft ook hier een programmatische betekenis voor de hele mediëvistiek.
Uit het overzicht blijkt, ten slotte, dat enkele specialisatie-domeinen in volle beweging zijn. Het volgende lijstje is dan ook een soort paspoort voor de toekomst:
a) een duidelijk accent op New Philology
b) internationale samenwerkingsverbanden gesetteld in Nederland met import van nieuwe expertise
c) specifieke voortzetting van jarenlange opgebouwde expertise, met name op het gebied van:
d) tekstedities,  kritische uitgaven en vertalingen (ook voor breed publiek)
e) corpora
f) reconstructies van (sub)genre-geschiedenis en analyse van genredynamiek
g) contextualisering van de verhouding oraliteit / geschreven tradities
h) impact van boekgeschiedenis, format, illustratie, paratext, etc. op publiek
i) afterlife en visie op middeleeuwen als eye-opener voor culturen na 1600.
Deze accenten van het hedendaagse onderzoek hebben een grote pertinentie. Ze  laten toe dat we gevestigde tradities herbekijken, kritisch afstand doen van a-priori en meehelpen aan de systematische vraagstelling rond onontgonnen gebieden van de Europese middeleeuwen en vroegmoderne tijd.
In die zin is de huidige evolutie van oud-romanistiek in Nederland de beste hommage aan de trendsetters en pioniers van het eerste uur. Niet voor niets is het grote Medievalisms-congres in Groningen van juli 2010 ook bedacht als een duidelijk erebetoon aan P. Zumthor, ontegensprekelijk een van de grootste mediëvisten ooit, en voor zijn benoeming in Montreal, hoogleraar in Amsterdam, en daarvoor gevestigd in Groningen.

Philiep Bossier
Annemie De Gendt
Konstantin Mierau
(RUG)
(november 2009)