Organisatie van het onderzoek aan de deelnemende instellingen

Hieronder treft u een korte beschrijving van het lokale onderzoek van elk van de zes aan de school deelnemende universiteiten.  De soms wat verouderde stukjes worden op korte termijn geactualiseerd.
 

Rijksuniversiteit Groningen

De Middeleeuwen worden aan de Rijksuniversiteit Groningen zowel in de tijd als geografisch breed opgevat. Ze lopen van ca. 200 (de kerstening van Europa) tot ca. 1600 (vroegmoderne tijd). Het geografisch gebied omvat Noord-Europa (IJsland, Scandinavië, de Oostzee), Oost-, West- en Zuid-Europa, en het Middellandse-Zeegebied (incl. het Nabije Oosten en Byzantium).
Aan de letterenfaculteit is het literair en historisch (inclusief kunsthistorisch) onderzoek ondergebracht in het Instituut voor Cultuurwetenschappelijk Onderzoek Groningen (ICOG). Het ICOG is niet chronologisch, naar periode, maar thematisch ingedeeld. De thematische velden worden bemand door leden van de in het ICOG participerende onderzoekscholen, waaronder de Onderzoekschool Mediëvistiek. Er bestaat ook een nauwe samenwerking met de Universiteitsbibliotheek, die niet alleen de website van de Onderzoekschool beheert, maar ook beschikt over een collectie handschriften en oude drukken, die onder het curatorschap van Gerda Huisman beschikbaar zijn voor opleidingsdoeleinden. Er wordt eveneens mediëvistisch onderzoek verricht aan de Faculteiten Rechtsgeleerdheid, Godgeleerdheid en Wijsbegeerte. De mediëvisten daar zijn ondergebracht in eigen onderzoeksinstituten. Ze zijn echter vrijwel allen lid van de Onderzoekschool Mediëvistiek.
Er bestaat binnen de letterenfaculteit voor de periode late middeleeuwen-vroegmoderne tijd een onderzoekszwaartepunt, waaraan inhoud wordt gegeven samen met de lokale Onderzoekschool Geesteswetenschappen Groningen (OGWG). De onderzoekstijd van sommige hoogleraren is verdeeld tussen OGWG en de Onderzoekschool Mediëvistiek. OGWG biedt een programma aan voor promovendi waaraan ook Groningse mediëvisten kunnen deelnemen. Promovendi op middeleeuwse onderwerpen volgen in overleg een verplicht programma van seminars dat zwaluwstaart met het opleidingsprogramma van de Onderzoekschool Mediëvistiek. 
De volgende mediëvistische vakgebieden worden in Groningen door leden van de school op leerstoelniveau beoefend: Geschiedenis (Catrien Santing en Dick de Boer), Rechtsgeschiedenis (Bernard Stolte, thans directeur KNIR, Rome), Filosofie (Lodi Nauta), Latijn (Onno Kneepkens), Romaanse Talen (Philiep Bossier), Engels (Sebastian Sobecki en Alasdair MacDonald), Semitische Talen (Wout van Bekkum) en Nederlands (Bart Ramakers). (De benoemingen van Santing en Sobecki maken deel uit van dakpanconstructies; hun oudere collega’s De Boer en MacDonald gaan binnen afzienbare tijd met emeritaat.) Momenteel loopt een opvolgingsprocedure voor de (gehalveerde) leerstoel Middeleeuws Latijn die sinds het emeritaat van Onno Kneepkens in 2009 vacant is. Door de komst van Sabrina Corbellini als Rosalind Franklin Fellow (een traject dat op termijn moet leiden tot een hoogleraarschap) is de aandacht voor de middeleeuwse boek- en leescultuur, die na het vroegtijdig overlijden van Jos Hermans in 2007 dreigde te verdwijnen, voor Groningen behouden. Verder maken de Middeleeuwen deel uit van de leeropdrachten van de hoogleraren Kunstgeschiedenis, Algemene Literatuurwetenschap en Fries. De betreffende leerstoelhouders zijn echter geen lid van de school. Behalve de hoogleraar kunstgeschiedenis (Henk van Veen) richten zij zich ook op andere perioden. Aan verschillende van de leerstoelen zijn uiteraard mediëvisten als universitair (hoofd)docent verbonden. Enkele specialismen zijn niet op hoogleraars- maar wel op u(h)d-niveau vertegenwoordigd. We vermelden hier in het bijzonder het Neolatijn (Zweder von Martels).
Het Groningse mediëvistische onderzoek richt zich primair op de late Middeleeuwen en de zestiende eeuw en is multidisciplinair van opzet (hoewel er uiteraard ruimte is voor de beoefening van individuele specialismen en de bestudering van vroegere perioden). Het concentreert zich op het thema ‘cultural en intellectual transfer’ en houdt zich bezig met vragen van transmissie en mobiliteit van mentaliteiten en ideeën, in geografische, institutionele, mediale en biografische zin. Het thema krijgt in sociaal-economische zin invulling in de aandacht voor handel en daaruit voortvloeiende culturele contacten binnen de Hanze (het Hanze Studie Centrum), waarbij de nadruk geografisch gesproken ligt op Noord-Europa. Transmissie in intellectuele en artistieke zin (van studenten, wetenschappers, tekstdragers) breidt zich ook naar het westen (Groot-Brittannië) en zuiden (Frankrijk, Spanje, Italië) uit, tot in het Nabije Oosten. Rome en Florence zijn steden waarop in het bijzonder de aandacht is gericht (Geschiedenis, Kunstgeschiedenis, Romaanse Talen). Daarnaast is er aandacht voor de omstandigheden (instituties) en middelen (teksten, methoden) van lokale transmissie (kennisoverdracht door onderwijs, religieuze vorming via literatuur – toneel, poëzie, preken, hagiografie, etc.) Aandacht voor transmissie kenmerkt ook het onderzoek naar de functie van taal en van vertalingen dat door mediëvisten binnen de faculteiten letteren en wijsbegeerte wordt verricht. Men voelt een bijzondere verantwoordelijkheid voor de transmissie van kennis en cultuur binnen, vanuit en náár de Noord-Oostelijke Nederlanden (het IJsselgebied).
Naast senior onderzoekers zijn verschillende promovendi en postdocs op mediëvistisch terrein werkzaam. Enkele promotieprojecten worden gefinancierd uit universitaire gelden. De volgende projecten worden uit de tweede geldstroom gesubsidieerd: ERC Starting Grant ‘Holy Writ and Lay Readers. A Social History of Vernacular Bible Translations in the Late Middle Ages’ (Sabrina Corbellini); NWO VICI-project ‘Humanists as Philosophers: The Place of Renaissance Humanism in the History of Thought’ (Lodi Nauta); NWO Urbanisatie en Stadscultuur ‘The town as a ‘body social’, 1300-1650’ (Dick de Boer en Bart Ramakers). Groningse collega’s doen volop mee aan de internationalisering van de school, die eveneens mogelijk is door subsidies van NWO. Momenteel wordt één internationaliseringsproject vanuit Groningen gecoördineerd. Het gaat om een samenwerkingsprogramma met de Ruhr Universität Bochum met als titel ‘The Modern Devotion as a vehicle of reflection and education and an instrument of social and cultural cohesion within a German-Dutch trans-regional context, ca. 1350-ca.1580’ (coördinatie Dick de Boer).
 
Bart Ramakers
(mei 2010)
 
 

Universiteit Leiden

Sinds september 2008 bestaat  de Leidse Letterenfaculteit niet meer, maar is samen met de Faculteiten Wijsbegeerte, Godsdienstwetenschappen en Kunsten opgegaan in een nieuwe Faculteit der Geesteswetenschappen. Het Letteren-gedeelte van de nieuwe Faculteit heeft daardoor een aanzienlijke reorganisatie doorgemaakt, waarbij tientallen banen op de tocht staan. Het mediëvistisch onderzoek is in de nieuwe situatie verdeeld over diverse instituten. Wat de onderzoeksorganisatie betreft, Middeleeuwen en Vroegmoderne Tijd zijn samengegaan, waarbij de focus ligt op de periode 1300–1700. Deze fusie wordt ook zichtbaar in het onderwijs, dat faculteitsbreed (van Bachelor tot Master) behoorlijk is herordend, waardoor trouwens de Mediëvistiek veel zichtbaarder is geworden in de vorm van een minor. Met de komst van Erik Kwakkel (zie onder) heeft Leiden weer een codicoloog in haar midden met een vaste aanstelling. Daar zal niet alleen de Leidse mediëvistiek van profiteren, maar, naar zich laat aanzien, ook de Onderzoekschool. Hieronder volgt een niet-uitputtende beschrijving van het Leidse mediëvistische onderzoek.
De sectie Middeleeuwse Geschiedenis bij de Opleiding Geschiedenis telt op dit moment (oktober 2010) vier vaste medewerkers (3,4 fte), een bijzonder hoogleraar, drie aio’s en twee postdocs. Het onderzoek van de hoogleraar (Peter Hoppenbrouwers) richt zich op ethniciteit en protonatievor-ming in de middeleeuwen, en daarnaast op de sociale en economische geschiedenis van de Noordelijke Nederlanden (met name het graafschap Holland en het hertogdom Brabant) in de 14de–16de eeuw. Sedert 2009 leidt hij, samen met bijzonder hoogleraar Hans Mol, het NWO Vrije Competitie-programma ‘Twilight zone: party strife, factionalism and feuding in the Northern Low Countries in the late Middle Ages’. Hieraan zijn twee aio’s en een postdoc verbonden, die zich bezighouden met deelprojecten over respectievelijk de Friese vetemaatschappij (Matthijs Gerrits), factievorming en partijstrijd in Utrecht (Justine Smithuis) en adelspartijen en private oorlogvoering in Gelre (Aart Noordzij). Verder is Hans Mol als bijzonder hoogleraar werkzaam op het gebied van de Friese landen in de middeleeuwen. Zijn onderzoek richt zich op de Friese kloosters en op de religieuze ridderorden. Zijn aio Rombert Stapel werkt aan een studie over de zogeheten ‘jonge hoogmeesterkroniek’ van de Duitse Orde. Van de vaste medewerkers houdt Antheun Janse zich vooral bezig met de Hollandse historiografie van de late middeleeuwen. De vorming van een bovengewestelijke eenheid in de Nederlanden tussen 1380 en 1480 staat centraal in het onderzoek van Robert Stein (0,9 fte), dat moet uitmonden in een nieuwe synthese over de Bourgondische eenwording. Het onderzoek van Louis Sicking (0,5 fte) heeft voornamelijk betrekking op de maritieme en expansiegeschiedenis van de late middeleeuwen, in het bijzonder van de kustgewesten van de Lage Landen. Deelthema’s zijn de Nederlandse zeescheepvaart in de zestiende eeuw en de Noors-Nederlandse betrekkingen omstreeks 1500. Postdoc Justyna Wubs-Mrozewicz vat per 1 februari 2011 haar VENI-project ‘Dealing with foreign traders, dealing with conflict. Strategies of conflict resolution and their role in trade relations in the Baltic, c. 1450–1580’ aan. Aio Annemieke Verboon promoveerde in 2010 op Lines of thought: Diagrammatic representation and the scientific texts of the Arts Faculty, 1200–1500.
 
Na het vertrek van Reindert Falkenburg uit Leiden zijn bij de Opleiding Kunstgeschiedenis op het gebied van de mediëvistiek werkzaam Elizabeth den Hartog, specialiste op het terrein van de middeleeuwse beeldhouwkunst en kastelenbouw, en Dirk de Vries, bijzonder hoogleraar op het terrein van de bouwhistorie.
 
Bij de Opleiding Nederlandse Taal en Cultuur verrichten Wim van Anrooij, Geert Warnar en Ludo Jongen literatuur-historisch onderzoek op het gebied van de Middeleeuwen. Van Anrooij publiceert onder meer over verzamelhandschriften, literair-culturele relaties tussen Duitsland en de Nederlanden, historiografie en vakgeschiedenis. Thans werkt hij aan een monografie over Louis Couperus en de Middeleeuwen. Onder zijn leiding zijn vijftien promovendi actief. Daaronder bevinden zich een aantal externe promovendi die zich met de Middeleeuwen bezighouden: Eugène Lambert, Dat liden ende die passie ons heren Jhesu Christi; Marjolein Gommers, Studies naar leven en werk van Willem de Vreese; Yura Hollander, Middelnederlandse dialogen in versvom tot 1400. Inhoud, vorm en functie; Bart Lucassen, Eindtijdverwachtingen in de Middeleeuwen; Jan de Putter, Studies over de Reynaert-traditie; Bart Veldhoen, Middelengelse Romances (incl. 19e-eeuwse revival); Martijn Wijngaards, Middeleeuwse verhaalstof in historieliederen uit de 18e eeuw.
Warnar gaf van 2004-2009 leiding aan het VIDI-project ‘Men of Letters, Medieval Dutch Literature and Learning’. Wybren Scheepsma was als postdoc aan het project verbonden. Het onderzoek richtte zich op de opkomst van het Middelnederlands als taal voor een publiek debat over geloof, ethiek, kennis en literatuur door auteurs die de geleerdentraditie voortzetten buiten de wereld van de professionele wetenschap. Het promotieonderzoek van Lydeke van Beek naar de Collatieboeken van Dirk van Herxen (promotie in 2009) sloot inhoudelijk zeer sterk bij dit project aan. Dat geldt ook voor het promotieonderzoek van Esther Jonker (Het Amsterdams perikopenboek – promotie 1 december 2010), Sanne de Vries (Middelnederlandse gebeden bij de Gregoriusmis) en Anna Dlabacova naar de overlevering in handschrift en druk van de Spiegel der volcomenheit van Hendrik Herp.
Van 2009–2013 is Leiden partner in en coördinator van het project Mobility of Ideas and Transmission of Text. Vernacular Literature and Learning in the Rhineland and the Low Countries (ca. 1300–1550) (MITT), een door Warnar geïnitieerd samenwerkingsverband met de universiteiten van Oxford, Antwerpen, Freiburg en Lecce. MITT is een Initial Training Network, onder auspiciën van en gefinancierd door de EU in het zevende kaderprogramma. MITT stelt twaalf jonge onderzoekers in staat zich te specialiseren in mediëvistisch onderzoek. In Leiden werken er drie: Joni de Mol (die onderzoek doet naar de invloed van de preken van Tauler in het werk van de Gentse priorin Alijt Bake), Helga Dierckx (onderzoek naar de grootste verzameling preken op naam van Johannes Tauler) en Yves van Damme (onderzoek naar de Dialoog van Eckhart en de leek).
Van Jongen verschijnen regelmatig edities van Middelnederlandse teksten en vertalingen daarvan in modern Nederlands, vooral heiligenlevens en geestelijke literatuur.
Joost van Driel werkt aan zijn VENI-project ‘De oorsprong van het proza’. Tegenwoordig is de prozavorm de standaard voor fictie en non-fictie literatuur. Onze oudste literatuur was echter berijmd. Pas langzaam is in de Middeleeuwen de prozavorm door Nederlandse auteurs ontdekt. Dit onderzoek gaat na, welke factoren daarvoor verantwoordelijk zijn geweest. Ook Olga van Marion (specialiste op het terrein van de Vroegmoderne Tijd) verricht onderzoek binnen een VENI-project: ‘Ridders in de Renaissance’. De tijdgenoten van Rembrandt lazen niet alleen    renaissanceliteratuur. Van hoog tot laag genoot men evengoed van de oude ridderromans en van toneelstukken over de graven en gravinnen van weleer. Dit onderzoek gaat na welke ideeën over de middeleeuwen er bestonden bij onze voorouders in de Gouden Eeuw.
 
Bij de Opleiding Engelse Taal en Cultuur is Rolf Bremmer vooral actief op het gebied van de Oudengelse taal en cultuur, en participeert in het project ‘Cambridge History of Early Medieval Literature’ dat zal uitmonden in een handboek. Ook is hij betrokken bij het project ‘Anglo-Saxon Manuscripts in Microfiche Facsimile’, dat beoogt alle handschriften met Oudengels erin te beschrijven en op microfiche uit te brengen. Verder werkt hij, samen met Kees Dekker (RUG) aan een boekdeel in het project ‘Sources of Anglo-Saxon Literary Culture’. Eveneens samen met Kees Dekker (RUG) heeft hij leiding gegeven aan het NWO-Internationaliseringsproject ‘Storehouses of Wholesome Learning’ (2004–2008; in samenwerking met de Universiteit van Palermo). Het project beoogt functies en verspreiding van pre-encyclopedische literatuur in het Latijn en de volkstaal tussen 600 en 1200 te beschrijven en te verklaren. Momenteel zijn twee van de vier bundels die voortvloeien uit dit project verschenen. Daarnaast is hij als bijzonder hoogleraar Fries actief in de (inter-)nationale Friese mediëvistiek. Hij begeleidt de volgende externe promovendi: Alan Griffiths, Rune-names and Ogam-names and Their Relation to Alphabet Letter-names; Domenica Carriero, Studies in the Old English ‘The Phoenix’; Filitsa Mullen, Symbolism in the ‘Exeter Riddles’. In februari 2011 begint Thijs Porck als docent-promovendus aan een proefschrift over Ouderdom in Angelsakisch en Normandisch Engeland. Bart Veldhoen houdt zich bezig met de Engelse Arturliteratuur en de receptie ervan in jongere tijd. Luisella Caon, die in 2008 promoveerde op de spelling van Chaucer, vervolgt haar onderzoek naar de taal van 15de-eeuwse handschriften van de Canterbury Tales. Zij is betrokken bij het internationale ‘Canterbury Tales Project’, onderdeel van de ‘Virtual Manuscript Room’ (Birmingham). Sophie van Romburgh, tenslotte, verkeert in de afrondende fase van haar in 2003 begonnen Veni-project ‘Renaissance Ideas and Early Germanic Literature’.
 
Erik Kwakkel (Instituut voor Culturele Disciplines) is projectleider van het VIDI-project ‘Turning over a New Leaf: Manuscript Innovation in the Twelfth-Century Renaissance’ dat de wisselwerking bestudeert tussen de twaalfde-eeuwse geleerde cultuur en het materiële boek, met name tussen 1075 en 1225. Kwakkel onderzoekt de eigenlijke materiële vernieuwingen, gebruikmakend van een corpus gedateerde, in autopsie te onderzoeken handschriften. Project-aio Jenny Weston richt zich op de relatie tussen de nieuwe boekvorm en haar gebruikers. Een nog aan te stellen postdoc zal zich bezighouden met de inhoud van de handschriften, gericht op de relatie tussen de nieuwe materiële kenmerken en de teksten en tekstgenres waarin ze (het eerst) voorkomen.
 
De Germanistische mediëvistiek (Oudhoogduits-Middelhoogduits) wordt behartigd door Jef Jacobs, die zich onder meer bezighoudt met religieuze literatuur van de Middeleeuwen, met name uit de periode 1050–1170 en met de Duitse mystieke literatuur van de late middeleeuwen. Marie-José Otten-Heijkant (Opleiding Italiaanse Taal en Cultuur) doet onderzoek naar de Arturliteratuur, met name de Tristan-traditie, in Italië. Julia Szirmai (Opleiding Franse Taal en Cultuur) bestudeert Oudfranse bijbelteksten en werkt aan de editie van een dertiende-eeuwse integrale  bijbel.
 
Het onderzoek van Bert Bos (Opleiding Filosofie) richt zich voornamelijk op de wijsgerige logica en semantiek, waarbij de aandacht vooral is gericht op de wisselwerking tussen semantische en metafysische opstellingen. Hij houdt zich in zijn onderzoek voornamelijk bezig met de wijsbegeerte van de veertiende eeuw. In dat kader bereidt hij momenteel een editie voor van het commentaar van Hendrik van Coesfeld (ca. 1400) op het Speculum puerorum van Richard Billinghem, en een editie van een anoniem commentaar (ca. 1400) op het Doctrinale van Alexander de Villa Dei.
 
Bij de Opleiding Midden Oosten Studies bestudeert Gabriëlle van den Berg de Perzische epiek alsook Firdausi’s Shahnama (Book of Kings). Zij is betrokken bij het in Cambridge gebasserde internationale ‘Shahnama Project’. Asghar Seyed Gohrab bestudeert in zijn VIDI-project ‘Of Poetry and Politics: Classical Poetic Concepts in New Politics of Twentieth Century Iran’ de invloed van middeleeuwse poëzie en mystiek op het huidige Iraanse politieke denken.
De Universiteitsbibliotheek herbergt naast een schat aan handschriften en vroege drukken de voor medioneerlandici en andere mediëvisten belangrijke Bibliotheca Neerlandica Manuscripta, een immens documentatieapparaat rond Middelnederlandse handschriften dat officieel erkenning verwierf als landelijk expertisecentrum. Conservator André Bouwman richt zich in zijn onderzoek vooral op de Reynaert-literatuur.
In het bachelorprogramma wordt een minor Mediëvistiek aangeboden (30 ECTS). Alle studenten volgen ‘Panorama van de Middeleeuwen en Vroegmoderne Tijd’ (5 ECTS, niveau 200) en ‘Transmissie en transformatie van cultuur in Europa, 1100–1700’ (10 ECTS, niveau 300). Deze hoorcollegereeksen zijn speciaal voor de minor ontwikkeld en worden door docenten van verschillende disciplines gegeven. De colleges zijn ook als afzonderlijke keuzeonderdelen te volgen.
 
Namens de Leidse mediëvisten,
Rolf Bremmer
(november 2010)
 
 

Universiteit Utrecht

Het volgende is bewust beknopt gehouden. Het bevat een zeer globale schets van de voornaamste elementen van de Utrechtse mediëvistiek waarbij die elementen steeds voorzien worden van een link naar de pagina van de facultaire website waar de betreffende informatie up to date wordt gehouden. Mensen die meer willen weten wordt verzocht de betreffende link te volgen. Dat is iets meer werk, maar het resultaat is wel steeds betrouwbare informatie. 
 
Het mediëvistische onderzoek in Utrecht is gebundeld in de onderzoeksgroep ‘Middeleeuwse cultuur’ van het Onderzoeksinstituut voor Geschiedenis en Cultuur. De mediëvisten in Utrecht kennen een lange traditie van interdisciplinaire samenwerking. Daarbij spelen geschiedenis en Middelnederlandse letterkunde een dominante rol, maar de andere talen doen ook mee, waarbij apart vermelding verdient dat Utrecht drie keltologen herbergt. Daarnaast dragen musicologen en kunsthistorici hun steentje bij. Van de andere kant spelen theologie en filosofie zo goed als geen rol in de Utrechtse mediëvistiek.
In het onderwijs heeft dit er toe geleid, dat de Researchmaster Medieval studies naast de ‘algemene’ track een specifieke track Keltisch kent en dat binnen de algemene track studenten geacht worden het accent te leggen op geschiedenis, literatuurgeschiedenis, kunstgeschiedenis of musicologie.
 
Een overzicht van de mediëvisten, zowel onderzoekers als docent-ondezoekers is te vinden op: http://www.uu.nl/en/faculties/humanities/research/researchinstitutes/OGC/research/researchprogrammes/
medievalculture/Pages/researchers.aspx

Wie deze lijst bekijkt, dient wel te bedenken dat musicologen en kunsthistorici formeel en als groep in andere onderzoeksgroepen zijn ondergebracht en dat aan de betreffende lijst dus tenminste ook de namen van Karl Kügle (musicologie), Victor Schmidt (kunstgeschiedenis) en Merlijn Hurx (kunst-, m.n. architectuurgeschiedenis) moeten worden toegevoegd.
 
Formeel is het onderzoek van de mediëvisten onderdeel van twee universitaire focusgebieden. Dit zijn onderzoeksgebieden waar de universiteit Utrecht uitgesproken sterk in is en waaraan meerdere faculteiten deelnemen. De mediëvisten participeren in Culture and Identities
(zie http://www.uu.nl/EN/research/focusareas/cultures/Pages/default.aspx) en in Origins and Impact of Institutions (zie http://www.uu.nl/EN/research/focusareas/origins/Pages/default.aspx)  
Meer inhoudelijk kenmerkt het onderzoek zich door een grote aandacht voor de culturele functie van allerlei soorten communicatie en door studie naar allerlei aspecten van de schriftcultuur. Dit onderzoek is versterkt door de benoeming van Marco Mostert tot hoogleraar Middeleeuwse schriftcultuur.
De afgelopen jaren zijn de mediëvisten nogal succesvol geweest in het verwerven van projecten. Daarbij verdienen de NWO-middelgroot projecten Memoria en Dutch Songs on line speciale vermelding. Het laatste project gaat over de Nederlandse liedcultuur vanaf het begin tot in de negentiende eeuw, dus het bereik is groter dan dat van de mediëvistiek. Ook is opvallend dat de Utrechtse mediëvisten deelnemen aan twee net gestarte Europese HERA-projecten: Cultural Memory and the Resources of the Past, 400-1000 AD en The Dynamics of the Medieval Codex. Van het laatste project is Utrecht penvoerder.
Een overzicht van alle lopende projecten is te vinden op:
http://www.uu.nl/EN/faculties/Humanities/research/researchinstitutes/ogc/research/researchprogrammes/
medievalculture/research/Pages/default.aspx

 
Bram van den Hoven van Genderen
(januari 2012)
 

Universiteit van Amsterdam

Klik hier voor de website van het Center for Medieval Studies Amsterdam (CMSA). 

 Vrije Universiteit Amsterdam

Het onderzoek naar de middeleeuwen in Amsterdam is gebundeld in het onlangs opgerichte CSMA (Centrum voor Middeleeuwen Studies te Amsterdam), dat valt onder het Instituut voor Cultuur en Geschiedenis. Het centrum beschouwt het onderzoek naar de middeleeuwen in de breedte, dus ook in dialoog met de late Oudheid en de vroegmoderne periode. Een overzicht van betrokken personen kan men vinden op : http://www.hum.uva.nl/middeleeuwenstudies/people.cfm. Een overzicht van lopende projecten via externe financiering is beschikbaar op: http://www.hum.uva.nl/middeleeuwenstudies/research.cfm.

De aanwezige expertise beslaat een breed terrein, zowel geografisch als chronologisch. Vakgebieden als archeologie, kunstgeschiedenis, taalkunde, letterkunde zijn goed vertegenwoordigd. Daarbij valt op dat de Amsterdamse onderzoekers vaak ook opereren op de grenzen van de disciplines, tussen literatuur en codicologie, tussen geschiedenis en sociale wetenschappen, tussen kunst en ‘niet artistieke’ artefacten. Het onderzoek heeft betrekking op een ruime periode, vanaf de late Keizertijd tot diep in de vroegmoderne periode, met een stevige verankering in de centrale Middeleeuwen.

Een aantal lijnen komt duidelijk naar voren uit de huidige onderzoekspraktijk : belangstelling voor materiële cultuur, onderzoek naar dynamiek en continuïteit van concepten en de bestudering van de spanning tussen norm en afwijking.

Veel onderzoekers, archeologen, kunsthistorici – waaronder historici van architectuur, toneel en handschriften – hechten sterk aan een bestudering van de bronnen vanuit hun materialiteit, voor wat ze zijn, voor wat ze representeren. Enerzijds betreft die belangstelling de studie van materiële cultuur, en in vele gevallen ook de materiële context van cultuur en geschiedenis ; anderzijds heeft dit aandachtspunt van ‘materialiteit’ betrekking op de bestudering van bronnenmateriaal (kunsthistorisch, codicologisch, letterkundig, historisch), voor wat het is, waarom het is – en waarom het al dan niet bewaard is.

Een tweede centrale kwestie is die van de continuïteit en dynamiek van concepten. De Middeleeuwen « middelen » de Oudheid naar de Renaissance toe, maar ontwikkelen, veranderen en perverteren die ook. De universiteit, bij voorbeeld, kan gelden als een van de meest succesvolle middeleeuwse concepten uit de geschiedenis.  Ook opvattingen over bij voorbeeld bestuur, orde, inrichting van de maatschappij, schoonheid en lelijkheid, de plaats van het individu en de vrije wil, kennen in de Middeleeuwen een spanning tussen traditie en autoriteit – en dogmatiek (en de middeleeuwse ontwikkeling van de notie dogmatiek is op zich al hoogst interessant)  - en vernieuwing, soms radicaal. Religie, wetenschap en de ontwikkeling van nieuwe modellen staan hierin centraal.

Een derde lijn in het mediëvistisch onderzoek betreft de spanning tussen norm en afwijking. De norm ontwikkelt zich, zoekt zichzelf en moet zich vaak in de lange duur uitkristalliseren. Parallel daaraan ontwikkelt zich een notie van afwijking, van uitsluiting, van ‘andersheid’ die bepalend is voor de cultuur. Hoe diverse instanties zichzelf een autoriteit toemeten in het bepalen van een norm, en hoe onduidelijk de precieze normbepaling zich verhoudt tot de institutionele geschiedenis, blijft van groot belang.

Jelle Koopmans

januari 2012

 

 

Vrije Universiteit

Aan de Vrije Universiteit wordt zowel binnen als buiten de Faculteit der Letteren mediëvistiek bedreven. Binnen Letteren is er een leerstoel voor Geschiedenis van de Middeleeuwen; binnen de Faculteit Wijsbegeerte één voor middeleeuwse, antieke en patristische filosofie met momenteel een zwaartepunt in de Middeleeuwen. Onderzoek op de terreinen van de middeleeuwse waterstaatsgeschiedenis, architectuurgeschiedenis, de middeleeuwse Franse letterkunde en de middeleeuwse Nederlandse letter- en taalkunde wordt gedaan vanuit leerstoelgebieden binnen de literaire faculteit die hun zwaartepunt elders hebben. Een belangrijke bijdrage aan het middeleeuwenonderzoek wordt voorts geleverd vanuit de Faculteit der Godgeleerdheid.
De VU kent geen apart instituut voor Middeleeuwse Studies. Binnen de Faculteit der Godgeleerdheid functioneert een ‘Instituut voor Kerkgeschiedenis van de Late Middeleeuwen en de Reformatie’. Een deel van het mediëvistische onderzoek is ondergebracht in het onlangs, op 1 december 2007, van start gegane interfacultaire onderzoeksinstituut VISOR (VU Institute for the Study of Religion, Culture and Society). Een tweede interfacultair instituut, ‘for the Study of Culture and Values’, is in oprichting: ook hier zal mediëvistisch onderzoek worden ingebracht.
Een bindmiddel tussen de VU-mediëvisten van verschillende disciplines is vanouds de Mediëvistenkring. Tijdens de bijeenkomsten houden collega’s presentaties van lopend of zojuist voltooid onderzoek en wordt nieuws met betrekking tot onderzoek en onderwijs in de Middeleeuwen uitgewisseld. Als gevolg van de ingrijpende reorganisaties en formatiereducties van de laatste jaren heeft de kring enige tijd een slapend bestaan geleid, maar zojuist is er een nieuwe start gemaakt.
Binnen het leerstoelgebied Geschiedenis der Middeleeuwen ligt de nadruk op de socio-religieuze en culturele geschiedenis van de late Middeleeuwen, in het bijzonder in stedelijke context. Het onderzoek van prof. dr. K. Goudriaan concentreert zich op de laatmiddeleeuwse vroom-heidsbeweging die als Moderne Devotie bekend staat. Artikelen over regionale recruteringspatronen, over vrouwenmacht in de vroege Moderne Devotie, over zusterhuizen uit de tijd vóór het gemene leven en over kloosters met alleen vrouwelijke conversen zijn ter perse of staan op stapel. Een monografie over Wermboud van Boskoop, de stichter van het Kapittel van Utrecht (tertiarissen), en zijn tijd is nagenoeg voltooid. Op de middellange termijn staat een Engelstalige monografie over de eerste halve eeuw van de Moderne Devotie als urbane monastieke revolutie op het program. Een tweede veld van aandacht is de laatmiddeleeuwse memoria-cultuur.
 
Het onderzoek van mw. dr. S. Corbellini concentreert zich op het centrale thema van de laatmiddeleeuwse cultuuroverdracht, in het bijzonder de opmerkelijke toename van vertalingen uit het Latijn naar de volkstaal van religieuze en liturgische teksten, met name van bijbelgedeelten (Nieuwe Testament en evangeliënharmonieën) en handboeken voor religieuze opvoeding. Belangrijk in het onderzoek is de reconstructie van de socio-culturele omstandigheden die het ontstaan en de verspreiding van de vertalingen mogelijk hebben bevorderd. Aandacht wordt geschonken aan de inventarisatie van teksten en tekstdragers (handschriften en vroege drukken), aan de bestudering van paratextuele elementen (die bijvoorbeeld informatie kunnen bieden over vertaalomstandigheden en over hoe de teksten werden gelezen), maar ook aan de reconstructie (aan de hand van o.a. bezittergegevens en boekenlijsten) van de milieus waarin de vertalingen circuleerden.
 
Het onderzoek van dr. A.L. Tervoort spitst zich toe op de geschiedenis van het onderwijs. Nadat eerder in zijn dissertatie over de peregrinatio academica van Nederlanders in Italië het accent lag op het universitair onderwijs, verlegt hij zijn aandacht nu naar het secundaire onderwijs in de Lage Landen. Op korte termijn staat een publicatie over schoolbezoek en -gedrag in Gouda op het program, aan de hand van unieke schoolrekeningen die voor deze stad zijn bewaard. Het wijdere perspectief is een nieuwe synthese over het voortgezet onderwijs in ons land.
 
Binnen het leerstoelgebied Economische en Sociale Geschiedenis werkt mw. dr. P.J.E.M. van Dam aan onderzoek op twee terreinen: de ecologische en sociaal-economische geschiedenis van het kustgebied, en de energiegeschiedenis toegespitst op de zout- en baksteenwinning aan de kusten van de Noordzee, beide voor de periode 1300-1700. Ook heeft zij het project 'Rijnland 750 jaar' geleid en daarin de middeleeuwse waterstaatsgeschiedenis voor haar rekening genomen. Ter afsluiting hiervan is verschenen: Waterstaat in stedenland. Het hoogheemraad-schap van Rijnland voor 1857 (Utrecht 2006), co-auteur: M. van Tielhof. De bijdragen aan de afsluitende workshop met ruime aandacht voor de Nederlandse, Vlaamse en Engelse middeleeuwse waterstaats-geschiedenis, zijn verschenen in: Water management, communities, and Environment. The Low Countries in Comparative Perspective, c. 1000- c. 1800, Jaarboek voor Ecologische Geschiedenis  2005/2006, 10 (2006). In aansluiting bij dit project is ook een promotie begeleid als co-promotor: Charles Cornelisse ‘Energiemarkten en energiehandel in Holland in de late middeleeuwen’ (promotores  prof. dr. C.A. Davids en prof. dr. W.P. Blockmans), waarvan de handelseditie in de loop van dit jaar verschijnt.
 
Mw. drs. I.B.S. van Koningsbruggen is actief op het terrein van de architectuurgeschiedenis. Haar belangstelling geldt de receptie van het gebouwde erfgoed, onder andere uit de Middeleeuwen.
 
 
Op het terrein van de Franse letterkunde is mw. drs. J.F. van der Meulen werkzaam. In aansluiting op haar promotieonderzoek (opgezet binnen het Leidse pionierproject NLCM) naar literaire cultuur rond het Hollands-Henegouwse hof in de periode 1260-1350, richt zij zich op de Oudfranse literatuur binnen de cultuurhistorische context van Lage Landen en  de Reichsromania, met speciale aandacht voor de internationale dynamiek en de relatie tussen woord- en beeld-tradities.Veertiende-eeuwse Alexander-continuaties en de opmerkelijk vroege Dante-receptie in deze noordelijke gebieden hebben haar speciale aandacht.

Het onderwerp van dr. R. M. Th. Zemel luidt: ‘Auteur en publiek van verhalende literatuur uit de dertiende eeuw in het graafschap Vlaanderen. Onderzoek naar thematiek, poëtica, intertekstualiteit, receptie.’ Enkele belangrijke literaire teksten die in de dertiende eeuw in Vlaanderen in het Diets geschreven werden, sluiten aan bij modellen van het genre in de Oudfranse literatuur. Tegelijk laten auteurs daarop literaire kritiek horen. Het onderzoek is gericht op de inhoud en de bedoeling van die kritiek.
 
Meer in detail gaat zijn onderzoek over:
a. Roman van Walewein. Op welke wijze en met welke bedoeling heeft de dichter in een Arturroman een bewerking opgenomen van een beroemd chanson de geste over Guillaume d’Orange (op termijn monografie gepland).
Vervolgens:
b. Artikel naar aanleiding van zijn  boek over Fergus (The Quest for Galiene. A Study of Guillaume le Clerc’s Arthurian Romance Fergus. Amsterdam-Münster 2006).
c.  Een poëticale interpretatie van Van den vos Reynaerde. De Vlaamse auteur laat zijn hoofdpersoon voor de goede verstaander moderne opvattingen over literatuur ten beste geven. Zijn Franse bron, een verhaal over Renart, heeft hij daarmee uitgewerkt tot een roman met een geprononceerde literaire boodschap.
d. Het portret van Charlemagne in Karel ende Elegast. In deze novelle presenteert de dichter een ‘fictionele’ rol van de keizer, die in strijd is met zijn optreden in het Franse chanson de geste.
 
Prof. dr. W. Goris, verbonden aan de Faculteit der Wijsbegeerte, richt zijn aandacht op het systematische begin van kennis, een thema dat middeleeuwse wijsbegeerte verbindt met haar tegenwoordige erfgenamen. De stelling is dat één van de veronderstellingen van moderniteit, de autonomie van de rede, haar oorsprong heeft in speculaties over het systematisch begin van kennis in de dertiende en veertiende eeuw. Vanaf de dertiende eeuw ontstaat een epistemologische constellatie waarin het vertrouwen van de rede in het Absolute wordt geconfronteerd met en gedwongen in een nieuw vocabulaire, waartoe de opkomst van het transcendentale behoort, evenals de ontdekking van het apriori van de menselijke rede en een gewijzigde houding tegenover menselijke ervaring. In 2007 resulteerde dit project in de publicatie van de monografie ‘Absolute Beginners’. Der mittelalterliche Beitrag zu einem Ausgang vom Unbedingten (Brill: Leiden/ Boston).  Een tweede traject rond Waarheidsspelen vraagt aandacht voor de manier waarop filosofische ideeën vorm krijgen dankzij de speciale epistemologische constellaties waarin zij opgenomen zijn. Dit project dient methodologische doeleinden en concentreert zich op de productie van waar/vals-verschillen in een variëteit aan gereguleerde praktijken: natuurwetenschappelijk, juridisch, medisch, religieus enz.
 
Prof. dr. A.A. den Hollander, verbonden aan de Faculteit der Godgeleerdheid en aan de Universiteitsbibliotheek van de VU, geeft leiding aan een project over de Bijbel in de late Middeleeuwen. Het gaat daarbij om 'bijbel' in de brede zin van het woord, in haar vele verschijningsvormen, zowel inhoudelijk als ook met betrekking tot de vormgeving. Het onderzoek betreft handgeschreven en gedrukte boeken, gemaakt als studieboek of met een liturgisch of meditatief oogmerk. Binnen het themagebied is ook aandacht voor breder cultuurhistorisch onderzoek, zoals naar bijbel(se) illustraties, provenance-onderzoek, etc. Aan dit themagebied wordt behalve door Den Hollander en Corbellini (zie boven) ook bijgedragen door mw. drs. E. Meyer en mw. dr. P.H.J. de Hommel-Steenbakkers.

Het ‘Instituut voor Kerkgeschiedenis van de Late Middeleeuwen en de Reformatie’ (Faculteit Godgeleerdheid), dat onder leiding staat van prof. dr. C.P.M. Burger, stelt zich tot doel onderzoek te doen naar enkele aspecten van de kerk- en theologiegeschiedenis binnen de periode 1343 tot 1564. Het onderzoek naar de universitaire theologiebeoefening richt zich vooral op de receptie van de genadeleer van Augustinus. Daarnaast wordt de vertaalslag naar de leken onderzocht: Repertorium Middelnederlandse preken, ‘Frömmigkeitstheologie’, ‘Luthers Übersetzung und Auslegung des Magnificat’. Een zwaartepunt vormt het werk aan de kritische uitgave van de brieven van en aan Johannes Calvijn.
 
Frömmigkeitstheologie: Naarmate in de Late Middeleeuwen ook leken leren lezen en schrijven, vervaardigen theologisch geschoolde geestelijken teksten voor deze groep. Ze beperken zich niet tot eenvoudige catechese, maar kiezen uit de beschikbare academisch-theologische, monastiek-theologische en mystieke literatuur, wat naar hun opvatting vroomheid kan kweken en versterken en ‘transformeren’ de inhoud ervan in het Latijn of in de volkstaal voor de leken zelf of voor hun geestelijke leiders. Deze invloedrijke geschriften kan men onder de noemer ‘Frömmigkeitstheologie’ samenvatten. Onderzocht worden onder meer teksten van Jean Gerson (1363-1429), Johannes von Paltz OESA (ca. 1445-1511) en Martin Luther (1483-1546).
 
Laat-middeleeuwse genadeleer: Onder de noemers ‘Logik des Schreckens’ en ‘Stein in den Nieren Alteuropas’ vat de wijsgeer Kurt Flasch de ontwikkelde genadeleer van Augustinus (354-430) samen. Augustinus beperkt immers de vrije wil van de mens tot het doen van het goede tot Adam voor de zondeval. Aan de Vrije Universiteit worden in het bijzonder de genadeleer van de laatmiddeleeuwse theologen Gregorius van Rimini OESA (ca. 1300-1358) en Hugolinus van Orvieto OESA (ca. 1300-1373) onderzocht.
 
Repertorium Middelnederlandse preken: De preek is een van de belangrijkste genres van de Middelnederlandse geestelijke literatuur. Zij is daarnaast een prominente historische informatiebron, want zij verbreidde religieuze, morele en culturele normen, waarden en attitudes. De groep ‘Sermo’ werkt samen bij het vervaardigen van dergelijke Repertoria voor heel Europa. In dit kader wordt er gewerkt aan het Repertorium van in handschriften bewaarde Middelnederlandse preken. Op 16 januari 2008 hopen mw. drs. T. W. F. van Dijk (Amsterdam) en dhr. lic. D. Ermens (Antwerpen) dit Repertorium te voltooien met het voorstellen van de volumes IV – VII met daarin de preken bewaard in de kleinere bibliotheken van Nederland en België.
 
Luthers Übersetzung und Auslegung des Magnificat: Bijzonder bekende geschriften van Martin Luther die men onder de noemer ‘Frömmigkeits-theologie’ kan vatten, zijn gebaseerd op zijn exegese van de psalmen voor zijn studenten (twee collegereeksen, te weten 1513-1515 en 1519-1521). Voor een breder publiek vertaalde Luther in de jaren 1520/1521 onder andere het loflied van Maria volgens het evangelie naar Lukas 1, 46b-55 en gaf een uitleg van deze tekst die sterk op een psalm lijkt. In 2007 verscheen er een monografie van de hand van Chr. Burger: Marias Lied in Luthers Deutung. Der Kommentar zum Magnifikat (Lk 1, 46b-55) aus den Jahren 1520/21.
In het kader van de kritische uitgave van de werken van Johannes Calvijn verscheen in 2007 van de hand van mw. dr. M.G. K. van Veen de kritische editie: Ioannis Calvini scripta didactica et polemica, vol.I I, Brieve instruction pour armer tous bons fideles contre les erreurs de la secte commune des anabaptistes. Dr. F. P. van Stam werkt samen met dr. E. A. de Boer aan een kritische editie van de Epistolae duae van Johannes Calvijn.
Koen Goudriaan
(april 2008)
 
 

Radboud Universiteit Nijmegen

Het Nijmeegse onderzoek op het gebied van de mediëvistiek vindt plaats aan vijf faculteiten: de Faculteit der Letteren, de Faculteit der Filosofie, de Faculteit der Theologie, de Faculteit der Religiewetenschappen en de Faculteit der Rechtsgeleerdheid. Het onderzoek is ondergebracht bij de verschillende facultaire onderzoeksprogramma’s, maar er is ook interfacultaire samenwerking. Om de zichtbaarheid en de coherentie van het mediëvistische onderzoek aan de Radboud Universiteit te bevorderen, zijn er vergevorderde plannen voor de oprichting van een Centrum voor Middeleeuwse en Renaissance Studies (de facto een voortzetting van het Nijmeegse Centrum voor Middeleeuwse Studies). Karakteristiek voor het Nijmeegse Middeleeuwen-onderzoek is het accent op de latere Middeleeuwen (13e eeuw en later), de aandacht voor de overgang van Middeleeuwen naar Renaissance, en de interesse voor onderwerpen die gerekend kunnen worden tot de ‘intellectuele geschiedenis’ (in de brede zin van het woord).
 
Faculteit der Letteren
Het onderzoek op het gebied van de Middeleeuwen is voornamelijk geconcentreerd in het facultaire onderzoeksprogramma Christelijk Cultureel Erfgoed (CCE), onderdeel van het Instituut voor Historische, Literaire en Culturele Studies (HLCS). De persoonlijke en collectieve onderzoeksprojecten die hierin zijn ondergebracht vertonen een grote continuïteit van thematiek en expertise. Het eerste zwaartepunt ligt traditioneel bij de Nederlanden in de late Middeleeuwen en in de zestiende eeuw (schilderkunst en kunstnijverheid, materiële geloofsuitingen als pelgrimstekens, teksten over moraal en moraliteit, Erasmus). Vanuit de vaste staf zijn prof. Jos Koldeweij, prof. Johan Oosterman en dr. Petty Bange hierin actief. Op dit terrein is er vanouds een sterke samenhang met het onderzoek in het interfacultaire programma Christelijk Cultureel Erfgoed (zie onder). Het pionierproject over de Genealogie van de Moraal onder leiding van dr. István Bejczy is intussen afgesloten en heeft een omvangrijke serie publicaties en dissertaties opgeleverd (waaronder het proefschrift van Jasmijn Bovendeert, Kardinale deugden gekerstend: de kardinale deugden vanaf Ambrosius tot het jaar 1000 [Nijmegen 2007]). Een andere focus ligt op de Angelsaksische en Keltische wereld in de vroege Middeleeuwen (semantiek, iconografie: dr. Sandor Chardonnens, dr. Cees Veelenturf). Het Nijmeegse zwaartepunt Christelijke Oudheid krijgt binnen CCE voornamelijk gestalte in de kunstgeschiedenis (prof. Sible de Blaauw), maar heeft een sterke filologische component in het programma De Antieke Wereld (prof. Arpád Orbán, dr. Vincent Hunink). Daarnaast heeft de receptiegeschiedenis van de Christelijke oudheid en van de Middeleeuwen zich tot een karakteristiek onderzoeksthema ontwikkeld (prof. Sible de Blaauw, prof. Peter Raedts, prof. Peter Rietbergen). Een ander project binnen CCE richt zich op het ontstaan en voortleven van klooster­bibliotheken in het Maas-Rijngebied (dr. Hans Kienhorst). Veel aandacht gaat daarbij uit naar de bibliotheek van Soeterbeeck en haar gebruikers vanaf de late Middeleeuwen tot de late twintigste eeuw (prof. Johan Oosterman), waarbij in samenwerking met de Nijmeegse UB onderzocht wordt welke mogelijkheden digitalisering biedt voor onderzoek en onderwijs.
In de onderzoeksvisitatie van 2006 is de kwaliteit van het onderzoek zeer positief beoordeeld, maar werd ook gewezen op de noodzaak de inhoudelijke samenhang en de feitelijke samenwerking te versterken. De faculteit heeft daarom een aantal thematische zwaartepunten aangewezen waarvoor voldoende focus en massa aanwezig is om uit te groeien tot speerpunten van het toekomstige letteren-onderzoek. Een ervan is Dealing with the Religious Past, waarin het beste Nijmeegse onderzoek op het terrein van het christelijke erfgoed kan worden gebundeld en uitgebouwd. Dit programma richt zich op de constructie van Christelijk cultureel erfgoed (dat in de Middeleeuwen, maar uiteraard ook in de latere perioden kan liggen) als een continu proces van selectie en herinterpretatie van het verleden, met het oog op identiteitsvorming in het heden. Twee sporen tekenen zich af als hoofdthema’s. Als eerste: de steeds terugkerende behoefte tot ijking aan de waarden en tradities van het Vroege Christendom, vooral in de overlevering van de kerkvaders. Als tweede: de stad Rome als drager van en instrument voor een doelgerichte omgang met het verleden. In november 2008 heeft het College van Bestuur besloten een bijzondere impuls aan deze plannen te geven door voor 2009 prof. Willem Frijhoff als gasthoogleraar te benoemen met als bijzondere taak de stimulering van de onderzoekslijn Cultuur en Religie, waarbij ook onderzoekers van andere faculteiten (Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen) zullen worden betrokken.
 
Faculteit der Filosofie
Het mediëvistisch onderzoek binnen de Faculteit der Filosofie is ondergebracht in het onderzoeksprogramma From Natural Philosophy to Science, dat onder leiding staat van prof. Paul Bakker. Dit programma richt zich op de bestudering van de middeleeuwse (natuur)filosofie, de integratie van Antiek gedachtegoed en Christelijke intellectuele tradities daarin, en de raakvlakken en conflictpunten met de middeleeuwse theologie. Een voorbeeld van dit laatste is het promotieproject van drs. Femke Kok over de rol van de theologie in de metafysica van Johannes Buridanus (zie ook beneden onder Christelijk Cultureel Erfgoed). Meer concreet richt het programma zich op de Aristotelische traditie, zoals die onder meer gestalte krijgt in de commentaren op de werken van Aristoteles, en de dialoog (en soms het debat) met rivaliserende verklaringen van de natuur. In 2008 is in dit kader een promotie-project van start gegaan over de natuurfilosofie van Albertus de Grote (met bijzondere aandacht voor de relatie tussen kosmologie en psychologie). Het project wordt uitgevoerd door drs. Adam Takahashi. Het promotie-onderzoek van dr. Michiel Streijger is in 2008 succesvol afgerond met de dissertatie Johannes Buridanus’ commentaar op De generatione et corruptione. De editie van Buridanus’ commentaar zal in 2009 worden gepubliceerd door dr. Michiel Streijger, prof. Paul Bakker en prof. Hans Thijssen. In het kader van het Vidi-project van prof. Paul Bakker, Form of the Body or Ghost in the Machine? The Study of Soul, Mind and Body (1250–1700) wordt aandacht geschonken aan de ‘wetenschap van de ziel’ (wijsgerige psychologie), die in de Middeleeuwen een onderdeel was van de natuurfilosofie. Binnen dit project bereidt drs. Sander de Boer een proefschrift voor over doctrinaire ontwikkelingen in een aantal commentaren op Aristoteles De anima uit het einde van de dertiende en het begin van de veertiende eeuw. Eveneens in het kader van dit Vidi-project zal in 2009 een omvangrijk internationaal congres worden georganiseerd (in samenwerking met het De Wulf – Mansion Centrum van de K.U. Leuven en onder de aegis van de Société Internationale pour l’Etude de la Philosophie Médiévale [S.I.E.P.M.]) gewijd aan psychologische theorievorming in laatmiddeleeuwse Sententieën-commentaren (Philosophical Psychology in Late-Medieval Commentaries on Peter Lombard’s Sentences).
 
Faculteit der Theologie en Faculteit der Religiewetenschappen
Het onderzoek van de Faculteit der Theologie en de Faculteit der Religiewetenschappen is ondergebracht in het Research Institute for Religious Studies and Theology (RST). De aan dit onderzoeksinstituut verbonden historici die zich bezighouden met de Middeleeuwen nemen sinds 2006 deel aan het onderzoeksprogramma Reframing Spirituality and Mysticism in Past and Present. In dit verband kan melding gemaakt worden van de projecten van dr. Inigo Bocken over Devotio Moderna as Theory en van prof. Peter Nissen over Continuity and Discontinuity in Late Medieval and Early Modern Christian Spirituality (tot 2008).
Prof. Daniela Müller, per 1 januari 2009 benoemd tot hoogleraar Kerkgeschiedenis en Geschiedenis van het Christendom (als opvolgster van prof. Peter Nissen), werkt voor de komende jaren aan twee onderzoeksprojecten. Het eerste heeft als titel Identiteit en Inquisitie. Over de vorming van een confessionele identiteit met behulp van een kerkjuridische organisatie. Dit project richt zich op de Inquisitie van de 16e eeuw, vooral op een tot dusver onderbelicht aspect ervan, namelijk de rol van de Inquisitie als instrument in de confessionele strijd in Frankrijk en Nederland. In het bijzonder staat de vraag centraal hoe een middeleeuwse organisatie zich transformeerde tot een vroegmodern instrument dat, onder de controle van voornamelijk wereldlijke heersers, kon dienen tot de vorming van een confessionele identiteit die in nauw verband staat met de opkomst van een nationale identiteit. Prof. Müllers tweede onderzoeksproject richt zich op Kerstening en de religieuze discriminatie van de zigeuners in Westeuropa met name in de 15e en 16e eeuw. De bronnen voor deze vroege periode van het optreden van de Roma en Sinti in Westeuropa zijn bijzonder schaars (in tegenstelling tot die voor de late 16e en 17e eeuw): het onderzoek is hoofdzakelijk aangewezen op een klein aantal kronieken. Aan de hand van deze bronnen wordt getracht inzicht te krijgen in de godsdienst van de zigeuners. Allereerst staat de vraag centraal waarom de zigeuners bereid waren zich te bekeren. Voorts wordt onderzocht hoe ze vervolgens een eigen vorm van christendom creëerden, waarmee ze altijd de verdenking van ketterij of van ‘heidendom’ opriepen. In dit licht moet ook de vraag gesteld worden waarom – in tegenstellling tot de geschiedenis van de joden en de heksenvervolging – tot nu toe zo weinig aandacht aan de geschiedenis van deze minderheid geschonken werd.
Het onderzoek van dr. Elisabeth Hense was tot 2007 gericht op de Rijnlandse mystiek. Dit onderzoek resulteerde in een ingeleide en becommentarieerde editie van een laatmiddeleeuws mystiek traktaat (samen met Nel Kouwenhouven): Waar de ziel haar naam verliest. Handschrift Brussel KB 3067-307 (Leuven 2007). Haar huidige onderzoek richt zich op het begrip van de ‘onderscheiding der geesten’ in de christelijke spirituele traditie. Dr. Hense is thans bezig met een omvattende vergelijkende studie van alle belangrijke teksten over de onderscheiding. Tot 2010 staan vooral teksten uit de eerste zes eeuwen van de geschiedenis van het christendom centraal. Na 2010 hoopt zij haar onderzoek te kunnen voortzetten in de richting van de latere Middeleeuwen.
De periode die wij plegen aan te duiden als de Middeleeuwen neemt eveneens een belangrijke plaats in binnen het onderzoek van de Nijmeegse Islamologen en specialisten van het Midden-Oosten. Prof. Harald Motzki doet onderzoek naar de vroege periode van de islamitische beschaving (7e–10e eeuw n. Chr.). Hij bestudeert de beeldvorming over deze periode in islamitische bronnen en onderzoekt de bruikbaarheid van deze bronnen voor een historische reconstructie van de vroege islam. De vanuit religieus perspectief belangrijke bronnen, de Koran en de overleveringen over de profeet Mohammed, de eerste moslimgeneraties en de opvattingen van de vroege islamitische geleerden, staan centraal in zijn onderzoek. Prof. Motzki’s onderzoek is ingebed in twee verschillende onderzoeksinstituten, te weten HLCS (Faculteit der Letteren) en RST (Faculteit der Theologie en Faculteit der Religiewetenschappen). Prof. Gerard Wiegers houdt zich bezig met een latere periode van de islamitische cultuur. Zijn onderzoek richt zich met name op Arabische bronnen voor de religieuze geschiedenis van de relaties tussen moslims, christenen en joden in middeleeuws en pre-modern Spanje en de Maghreb. De vorming van een religieuze identiteit van de verschillende groepen neemt een belangrijke plaats in binnen zijn onderzoek. Hij werkt aan een aantal kritische uitgaven met vertalingen evenals aan vergelijkende studies. Een van de teksten waarmee prof. Wiegers zich op dit moment bezig houdt is Kitâb ta’yîd al-milla, een anoniem polemisch geschrift geschreven in Aragon in de vroege veertiende eeuw. Prof. Herman Teule, die tevens directeur is van het aan de Radboud Universiteit gelieerde Instituut voor Oosters Christendom (IVOC), doet onderzoek naar de christelijke gemeenschappen in het Midden-Oosten (vooral in Irak, Syrië, Libanon en Turkije) onder de titel The Syriac Renaissance (1050–1306). Focus van zijn onderzoek zijn de vroegchristelijke wortels van deze gemeenschappen alsmede hun positie binnen een dominante islamitische omgeving gedurende de Middeleeuwen. Hij houdt zich in het bijzonder bezig met auteurs uit de zgn. Syrische Renaissance, zoals bijvoobeeld Michael de Syriër, Bar’ Ebroyo en Abdišō b. Brikā. Tevens begeleidt hij aan het IVOC enkele promovendi, onder wie drs. Carmen Fotescu met een promotie-onderzoek over The Ascetical Work of Athanasius Abu Ghalib.
Ten slotte kan worden vermeld dat in de loop van 2006–2008 ook de aan het Titus Brandsma Instituut verbonden onderzoekers zijn ondergebracht bij het programma Reframing Spirituality. Relevant voor de mediëvistiek zijn hier vooral de projecten van dr. Inigo Bocken, dr. Charles Caspers, dr. Rudolf van Dijk en dr. Rijcklof Hofman (zie ook hieronder bij Titus Brandsma Instituut).
           
Universitair onderzoeksprogramma ‘Christelijk Cultureel Erfgoed’ (CCE)
De Faculteiten Letteren, Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen vormen, tezamen met het Titus Brandsma Instituut (TBI), kern van het sinds 1998 bestaande universitaire onderzoeksprogramma Christelijk Cultureel Erfgoed (CCE). Dit programma houdt zich bezig met de geschiedenis van het Christendom en de christelijke cultuur alsmede met de studie van de christelijke overlevering vanuit het perspectief van de vorming tot christen. CCE is het enige onderzoeksprogramma binnen de geesteswetenschappen dat door het College van Bestuur van de Radboud Universiteit is aangewezen als zwaartepunt voor onderzoek. De betrokken onderzoekers beschouwen dit als een aanwijzing dat het College ook haar eigen erfgoed, namelijk een lange onderzoekstraditie van voortreffelijke mediëvisten aan de Radboud Universiteit, in ere houdt. In 2008 berust de leiding van het programma bij de ‘stuurgroep CCE’ bestaande uit prof. Jos Koldeweij, prof. Marit Monteiro, prof. Peter Raedts (voorzitter), alle drie namens de Faculteit der Letteren, prof. Peter Nissen namens de Faculteit der Theologie, prof. Hans Thijssen namens de Faculteit der Filosofie en prof. Hein Blommestijn namens het TBI. Het onderzoeksprogramma CCE van de Faculteit der Letteren wordt op andere wijze gefinancierd, maar is inhoudelijk uiteraard nauw verbonden met het universitaire programma.
Het universitaire CCE is onderverdeeld in vier aandachtsgebieden: (1) de christelijke instellingen, (2) het christelijk denken, (3) de christelijke spiritualiteit, en (4) de christelijke verbeelding. Alle aan afzonderlijke onderzoekers toebedeelde projecten zijn ondergebracht in een van deze gebieden. Hieronder worden per aandachtsgebied kort de in uitvoering zijnde of recent afgeronde projecten genoemd, voor zover deze (mede) betrekking hebben op de periode van vóór de komst van de Reformatie.
 
De christelijke instellingen
- Het project De seculiere kapittels van het middeleeuwse bisdom Utrecht wordt uitgevoerd door dr. Jan Kuijs. Dit project leidde tot enkele tussentijdse publicaties, onder meer (samen met Paul Trio en Marjan De Smet) An Inquiry into Secular Influence on Ecclesiastical and Religious Matters on a Local Urban Level (Kortrijk 2006).
- De handschriften (en vroege drukken) uit vrouwenkloosters van de Moderne Devotie in het zuidoosten van Nederland en het aangrenzende Duitse gebied. Dit project wordt uitgevoerd door dr. Hans Kienhorst. In het kader van dit project zijn enkele studies vervaardigd maar ook is editiewerk verricht. Daarnaast houdt Kienhorst zich bezig met de studie en beschrijving van de handschriften uit het klooster Soeterbeeck. Aan deze handschriften wordt in 2009–2010 een tentoonstelling gewijd.
- Monasticon Carmelitanum Neerlandicum is vanaf 2003 tot 2007 uitgevoerd door dr. Antoine Jacobs. Het betreft een repertorium van alle kloosters die vanaf 1249 tot heden in Nederland bestaan hebben van de Orde van Broeders en Zusters van O.L. Vrouw van de Berg Karmel (te verschijnen in 2009).
Het christelijk denken
- Einde 2005 is het promotieproject van drs. Femke Kok gestart met de titel De rol van de theologie in de metafysica van Johannes Buridanus. Centraal in het onderzoek staan de wisselwerking tussen theologie en filosofie alsmede de vraag naar het bestaan van een autonome filosofie in het werk van een denker die zelf overigens nooit theoloog is geworden.
De christelijke spiritualiteit
- Het project De liturgische identiteit van de Moderne Devoten, met bijzondere aandacht voor de Congregatie van Windesheim en het werk van Thomas van Kempen (1380–1471) wordt uitgevoerd door dr. Charles Caspers. Dit project heeft geleid tot publicatie van verschillende artikelen en twee boeken (beide samen met Peter Jan Margry): Identiteit en spiritualiteit van de Amsterdamse Stille Omgang (Hilversum 2006) en 101 bedevaartplaatsen in Nederland (Amsterdam 2008).
- De geestelijke brief in het Middelnederlands (13e–16e eeuw) werd vanaf 2003 tot eind 2007 uitgevoerd door dr. Mikel Kors. Doel van dit project was het verkrijgen van inzicht in het functioneren van geestelijken en hun rol bij de inrichting van het geestelijk leven van leken en religieuzen. Uit eerder onderzoek verscheen van de hand van Kors De bijbel voor leken. Studies over Petrus Naghel en de Historiebijbel van 1361 (Leuven en Turnhout 2007).
- De deugden in de Lage Landen, 1200–1500 heette het promotie-onderzoek dat in de periode 2002–2006 werd verricht door dr. Krijn Pansters. Dit onderzoek resulteerde in november 2007 in een promotie op het proefschrift De kardinale deugden in de Lage Landen, 1200–1500 (Hilversum 2007).
 
De christelijke verbeelding:
- Pelgrimstekens in de marges van getijdenboeken is de titel van het promotieonderzoek dat vanaf 2003 wordt verricht door drs. Hanneke van Asperen. Dit project beoogt inzicht te verkrijgen in (a) de rol die bedevaartsouvenirs speelden in de laatmiddeleeuwse devotie en (b) de aard van de relatie tussen de oorspronkelijke objecten en hun weergave in de manuscripten. Bij het onderzoek gaat ook aandacht uit naar de wisselwerking tussen wat de Moderne Devotie voorstond en de zogenoemde ‘lekenvroomheid’. Dit onderzoek staat in nauwe relatie met het grootschalig inventarisatieproject KUNERA, een internationale, geautomatiseerde registratie en documentatie van het middeleeuwse pelgrimsteken (URL: www.let.ru.nl/ckd/kunera).
- Stalla. Medieval Choir Stalls heet het gedigitaliseerde koorbanken databaseproject dat vanaf 2006 wordt uitgevoerd door drs. Christel Theunissen. Met dit project wordt beoogd om alle figuratieve onderdelen van de nog bestaande en de niet meer bestaande maar wel gedocumenteerde koorbanken in Nederland en Vlaanderen te inventariseren. Het betreft religieuze maar meer nog profane voorstellingen die een schat aan informatie bieden over onderdelen van de toenmalige volks- en elitecultuur, waarover de geschreven bronnen vaak zwijgen.
 
Om de cohesie tussen de verschillende projecten van het universitaire CCE te bevorderen worden er halfjaarlijks gespecialiseerde bijeen-komsten gehouden, in de vorm van workshops, waar de onderzoekers ofwel hun probleemstelling ter discussie kunnen stellen, ofwel de resultaten van hun onderzoek kunnen confronteren met die van collegae in binnen- en buitenland. Daarnaast profileert CCE zich breder d.m.v. tweejaarlijkse publiekscongressen. Op 23 november 2007 had  het congres als thema Oost-West. Christelijk en Islamitisch cultureel erfgoed. Bij die gelegenheid werd tevens de bundel gepresenteerd van het publiekscongres uit 2005: C. Caspers, P. Nissen en P. Raedts (red.), Heiligen en hun wonderen. Uit de marge van ons erfgoed, van de late middeleeuwen tot heden (Budel 2007).
In bovenstaand overzicht valt vooral de centrale plaats op van de Moderne Devotie, hetgeen geheel in lijn is met de onderzoekstraditie van de Nijmeegse universiteit. Deze bijzondere aandacht heeft een nieuwe impuls gekregen dankzij de zogenoemde Soeterbeeck-overeenkomst (april 1998) tussen de Priorij Soeterbeeck en de Radboud Universiteit, met als doel het Moderne Devotie onderzoek in Nijmegen duidelijker te profileren en daarbij tevens te streven naar samenwerking met onderzoeksgroepen in binnen- en buitenland.
 
Titus Brandsma Instituut (TBI)
Het belang van het para-universitaire Titus Brandsma Instituut voor de mediëvistiek is voornamelijk gelegen in het daar verrichte onderzoek naar de Moderne Devotie. In 1989 nam het TBI de taak op zich om de kritische editie te verzorgen van de geschriften van Geert Grote. Vanaf 1997 wordt het editiewerk verricht door dr. Rudolf van Dijk en dr. Rijcklof Hofman. De tekstedities verschijnen in de reeks Corpus Christianorum – Continuatio Mediaeualis. Het werk van Van Dijk resulteerde in de monumentale uitgave van de Prolegomena ad Gerardi Magni Opera omnia = Die Forschungslage des gesamten Schrifttums (mit Ausnahme des Stundenbuches) (2003). Door Hofman zijn reeds uitgegeven Ioannis Rusbrochii Ornatus Spiritualis Desponsationis Gerardo Magno interprete (2000) en Gerardi Magni Contra Turrim Traiectensem (2003). Thans werkt Hofman aan de editie van Grote’s Sermo ad clerum traiectensem de focaristis (uitgave voorzien in 2009).
De reeds vermelde Soeterbeeck-overeenkomst betekende ook voor het TBI een impuls voor het onderzoek naar de Moderne Devotie. De coördinatie van het Moderne Devotie onderzoek binnen het TBI is in handen van dr. Charles Caspers. De werkzaamheden spitsen zich vanaf 2004 toe op twee hoofdthema’s: de betekenis van ‘innerlijkheid’ binnen de spiritualiteit van de Moderne Devotie en de Navolging van Christus van Thomas van Kempen. In 2006 resulteerde dit teamwerk in een gezamenlijke publicatie: Nuchtere mystiek. Navolging van Christus (Kampen). In 2006–2008 is het onderzoek van het TBI ondergebracht binnen het bovengenoemde programma Reframing Spirituality. Binnen dit programma zijn niet alle historische projecten strikt gerelateerd aan de Moderne Devotie. Zo neemt Caspers deel aan een project over middeleeuwse ‘Sacramenten van Mirakel’ en een project over libri ordinarii.
 
Faculteit der Rechtsgeleerdheid
Het mediëvistisch onderzoek aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid wordt gedragen door prof. E.C. Coppens, tevens lid van de Advisory Board van het Stephan Kuttner Institute of Medieval Canon Law, en dr. Paul van Peteghem. Prof. Coppens bereid een editie voor van de anonieme dertiende-eeuwse summa op het Decreet van Gratianus met  als incipit Animal est substantia (ook wel de Summa Bambergensis genoemd). Een gedeelte van de tekst is reeds online beschikbaar (URL: http://web.me.com/eccoppens/Animal_est_substantia/Introduction.html). Op dit adres is ook een toelichting op de tekst te vinden. Naast zijn werk aan de summa Animal est substantia heeft prof. Coppens ook de online publicatie van de ordo iudiciarius ‘Sapientiam’ in voorbereiding en van de volgende apparaten (glosssen op het Decreet van Gratianus): Omnis qui iuste iudicat; Sicut vetus testamentum; Quoniam omissis centum distinctionibus; Quoniam in omnibus rebus animaduertitur; Ius aliud divinum. Dr. Paul Van Peteghem is betrokken bij het NWO programma Ecclesiastical Law and ‘Ecclesia Belgica’. The Emperor Charles V’s dream shattered? Dit programma houdt zich bezig met het zogenaamde patronaatsrecht. In het bijzonder zal het traditionele beeld van het patronaatsrecht (als het recht ‘om de pastoor van een in de heerlijkheid gelegen kerk aan te wijzen en voor benoeming voor te dragen aan de bisschop, die de aangewezene dan institutie verleende’) worden genuanceerd. Gezien de verwarring over de relatie tussen collatierecht en patronaatsrecht, zal de vraag van de definitie een belangrijke component van het onderzoek vormen. Ofschoon binnen dit project het accent ligt op de 16e eeuw, wordt ook aandacht besteed aan de middeleeuwse wortels van dit juridische leerstuk. Tevens wordt in dit programma het canoniek recht gelieerd aan de kerkgeschiedenis en de algemene geschiedenis.
 
Paul Bakker (met dank aan prof. Sible de Blaauw en dr. Charles Caspers)
(november 2008)